Geen geldig beroep op inkeerregeling omdat belanghebbende redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de inspecteur bekend was of bekend zou worden met de in Zwitserland aangehouden bankrekening

Belanghebbende heeft in haar aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 2003 tot en met 2014 geen melding gemaakt van de door haar aangehouden bankrekening bij een Zwitserse bank. De Zwitserse bank heeft op 7 augustus 2014 aan haar Nederlandse rekeninghouders een brief gestuurd, waarin staat geschreven dat de klantrelatie met de rekeninghouder wordt opgezegd, tenzij hij een verklaring ondertekent waarmee hij de bank toestemming geeft om alle relevante informatie met de belastingautoriteiten te delen. Belanghebbende heeft op 27 oktober 2015 in verband met haar bankrekening bij de Zwitserse bank een beroep gedaan op de inkeerregeling. Belanghebbende heeft vervolgens aan de inspecteur gegevens overgelegd van de aangehouden bankrekening. De inspecteur heeft daarop navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes voor de jaren 2003 tot en met 2014.

In geschil is of belanghebbende een beroep toekomt op de inkeerregeling alsmede of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het niet in haar aangiftes opnemen van de bankrekening berustte op een verdedigbaar standpunt en dat daarom de boetes ten onrechte zijn opgelegd. Daarnaast stelt belanghebbende dat het opleggen van de boetes in strijd is met het legaliteitsbeginsel zoals bedoeld in art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR.

Het Hof stelt vast  dat er geen sprake is van een vrijwillige inkeer, omdat diverse Nederlandse en buitenlandse media rond 27 september 2015 nieuws hebben uitgebracht over de informatie-uitwisseling van rekeninghouders bij de Zwitserse bank. Belanghebbende heeft op 27 oktober 2015 een beroep gedaan op de inkeerregeling, waardoor de inspecteur bekend was of bekend zou worden met de achtergehouden Zwitserse bankrekening.

Wat betreft de vergrijpboetes acht het Hof deze passend en geboden. De aan de inkeerbepaling te ontlenen verwachting omtrent belopen van een vergrijpboete, of omtrent de hoogte, moet niet worden beoordeeld naar het moment waarop de onjuiste of onvolledige aangifte wordt gedaan, maar naar het moment waarop de betrokkene inkeert. De stellingen van belanghebbende op grond van het legaliteitsbeginsel van art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR  stuiten, hierop af.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2020:4171