Geen ondernemerschap inzake de omzetbelasting vanwege gebrek aan objectieve gegevens

Belanghebbende vormde met B.V. B tot 2009 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Deze fiscale eenheid is echter per 2009 ontbonden, daar geen activiteiten plaatsvonden. Voorts zijn vanaf 2009 per abuis aan belanghebbende aangiften omzetbelasting uitgereikt. Echter, belanghebbende heeft deze aangiften nooit ingediend ten gevolge waarvan belanghebbende in 2009 en 2010 geconfronteerd is met verschillende aanslagen en boetes wegens het niet doen van aangiften. Belanghebbende is voorts per 11 juni 2010 door de Rechtbank failliet verklaard. De betrokken curator heeft op 29 juli 2010 bezwaar gemaakt tegen de betreffende aanslagen alsmede tegen de boetebeschikkingen. Vernoemd bezwaar is gegrond verklaard, hetgeen tot vernietiging van de betreffende aanslagen alsmede de boetebeschikking heeft geleid. Voorts heeft de curator verzocht om teruggaaf van omzetbelasting met betrekking tot de kosten van deurwaarders en het salaris van de curator. Bij brief van 5 februari 2016 is dit verzoek afgewezen. In het tegen deze afwijzing gerichte bezwaarschrift heeft de curator aangevoerd dat belanghebbende ondernemer was ten tijde van het uitspreken van het faillissement. Dit bezwaar van de curator is door de behandeld Inspecteur afgewezen op de grond dat uit niets is gebleken dat belanghebbende ten tijde van het bedoelde faillissement ondernemer was voor de omzetbelasting.

In geschil is de vraag of belanghebbende ten tijde van het uitspreken van het faillissement was aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 Wet op de Omzetbelasting (hierna: OB).

De curator heeft namens belanghebbende de bovenstaande vraag bevestigend beantwoord en daartoe aangedragen dat belanghebbende is aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 OB vanwege het verrichten van voorbereidende ondernemingshandelingen. De Inspecteur betwist het ondernemerschap van belanghebbende op de grond dat belanghebbende ten tijde van het uitspreken van het faillissement geen economische activiteiten dan wel voorbereidingshandelingen verrichte.

De Rechtbank overweegt dat uit het arrest Rompelman (ECLI:NL:XX:1985:AS0704) van het Hof van Justitie volgt dat in het kader van het ondernemerschap voor de OB tevens voorbereidingshandelingen tot de economische activiteiten moeten worden gerekend. Voorts volgt uit de uitspraak INZO (ECLI:NL:XX:1996:AW0149) van het Hof van Justitie dat het voornemen om met deze economische activiteiten een aanvang te maken met objectieve gegevens moet worden ondersteund.

Op basis van het bovenstaande komt de Rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast aangaande het aannemelijk maken dat sprake is van ondernemerschap vanwege voorbereidingshandelingen, op belanghebbende rust. In dit kader overweegt de Rechtbank dat belanghebbende niet aan deze bewijsverplichting heeft voldaan daar het standpunt van de curator met geen enkele objectieve gegevens kan worden onderbouwd. Zodoende komt de Rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende ten tijde van het uitspreken van het faillissement ondernemer was voor de Omzetbelasting.

Gelet op het bovenstaande komt de Rechtbank tot het oordeel dat de Inspecteur de aftrek van voorbelasting terecht heeft geweigerd.

Rechtbank Gelderland 25 september 2017, AWB 16/5744

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:4929