Geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd in tuinderszaak

Verdachte wordt ervan verdacht vanaf 2005 ongeveer 5 jaar lang in nauwe samenwerking met meer dan 20 Nederlandse tuinders fraude te hebben gepleegd. Daarbij werd gebruik gemaakt van meer dan 10 voornamelijk in het buitenland opgerichte rechtspersonen en een groot aantal Luxemburgse bankrekeningen. De omzet die verdachte tezamen met de tuinders wist te behalen was (gemiddeld) bijna 60 miljoen per jaar. Het grootste gedeelte daarvan werd weliswaar in de administratie opgenomen, maar daarnaast werd een bedrag van meer dan 20 miljoen euro buiten het zicht van de Belastingdienst gehouden. In het bijzonder hebben de tuinders hiervan geprofiteerd, maar verdachte was naar het oordeel van de Rechtbank degene die dit met zijn web van internationale rechtspersonen en bijbehorende bankrekeningen mogelijk heeft gemaakt.

De Rechtbank stelt vast dat de belastingfraude de tuinders vele miljoenen euro’s hebben opgeleverd. Het moge zo zijn dat verdachte de tuinders een oplossing bood voor het probleem dat zij niet aan voldoende personeel konden komen, maar de afspraken die verdachte heeft gemaakt met de tuinders hadden naar het oordeel van de Rechtbank ongetwijfeld ook betrekking op het creëren van een omvangrijk zwart geldcircuit, waarvan verdachte op de hoogte was.

De Rechtbank ziet de rollen van verdachte enerzijds en de tuinders anderzijds dan ook als gelijkwaardig. De tuinders hadden verdachte nodig om over voldoende personeel te beschikken en een deel van de omzet buiten de boeken te kunnen houden. Verdachte had de tuinders nodig om over hun volledige omzet te beschikken en deze volgens vaste afspraken te verdelen. Ze konden in dit verband niet zonder elkaar. Dat de constructie voor verdachte zeer lucratief was, blijkt onder meer uit de aanschaf van een vliegtuig en de tegoeden op de buitenlandse bankrekeningen van zijn ondernemingen.

De Rechtbank rekent het verdachte aan dat hij met deze handelwijze een groot financieel voordeel voor zichzelf en de aangesloten tuinders heeft weten te realiseren. Het op die wijze vergaarde geld heeft verdachte via een ingewikkeld netwerk van banktransacties en contante betalingen en geldopnamen teruggesluisd naar de aangesloten tuinders, die het geld vervolgens buiten het zicht van de (Belasting)autoriteiten hebben gehouden. Verdachte heeft hierbij een coördinerende en sturende rol gehad, waarbij verdachte altijd de controle over het geld heeft gehad. Verdachte was hiermee een cruciale figuur in een omvangrijk netwerk.

Als strafmatigende factoren weegt de Rechtbank mee dat de redelijke termijn met 6,5 jaar is overschreden en dat met de tuinders schikkingen zijn getroffen door het Openbaar Ministerie (en de Belastingdienst). Ook weegt de Rechtbank mee dat verdachte na zijn aanhouding op 5 juli 2010 is vrijgelaten. De vraag is tevens of aan verdachte, die vanaf dat moment 8,5 jaar heeft moeten wachten op de strafzaak, nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een (maximale) gevangenisstraf van 2 jaar met een proeftijd van 2 jaar, tot een (maximale) taakstraf van 240 uren en tot een (maximale) geldboete van € 134.000.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2019:905