Gekozen verhuurstructuur met jachten brengt misbruik van recht

In de uitspraak van rechtbank Gelderland van 7 maart 2017 (ECLI:NL:RBGEL:2017:1140) heeft de inspecteur naheffingsaanslagen opgelegd aan belanghebbende. Dit naar aanleiding van een door de belanghebbende gebruikte verhuurstructuur met jachten.

In geschil is of de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de naheffingsaanslagen zijn opgelegd in strijd met het verdedigingsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals belanghebbende verdedigt. Voorts is in geschil of sprake is van misbruik van recht, zoals de inspecteur bepleit. Ten slotte is in geschil of de naheffingsaanslagen zijn opgelegd in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Belanghebbende stelt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat de naheffingsaanslagen zonder enige vooraankondiging zijn opgelegd. Daardoor is belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslagen haar standpunt kenbaar te maken. Volgens belanghebbende ontbreekt de motivering van de uitspraak op bezwaar in essentie en is het opleggen van naheffingsaanslagen ter behoud van rechten in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Nu de naheffingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 28 december 2008, dat wil zeggen ruim een half jaar na een gesprek tussen beide partijen, is volgens de rechtbank van schending van het verdedigingsbeginsel geen sprake. Van naheffingsaanslagen die zijn opgelegd ‚Äúter behoud van rechten‚ÄĚ, waarmee belanghebbende kennelijk bedoelt dat de aanslagen niet althans ontoereikend zijn gemotiveerd, is evenmin sprake. De gronden voor het opleggen van de naheffingsaanslagen zijn zowel mondeling als schriftelijk meegedeeld. Gelet op hetgeen ten aanzien van het verdedigingsbeginsel en het motiveringsbeginsel is overwogen, is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel evenmin sprake.

Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat om, te kunnen vaststellen dat sprake is van misbruik van recht, ten eerste vereist is dat de betrokken transacties ertoe leiden dat in strijd met het doel van de Btw-richtlijn en de daarop gebaseerde nationale bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend. Ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de transactie erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen. Het is aan de nationale rechter om vast te stellen wat de werkelijke inhoud en betekenis van de betrokken handelingen zijn.
Belanghebbende heeft geen enkele plausibele verklaring gegeven voor de gekozen structuur. Hieruit kan worden afgeleid dat belastingbesparing de doorslaggevende beweegreden is geweest voor het opzetten en uitvoeren van de structuur. Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat vaststaat dat het jacht uitsluitend door een particulier voor privédoeleinden wordt gebruikt, is dit belastingvoordeel in strijd met de doelstellingen van de Wet OB en de Btw-richtlijn verkregen.

Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat sprake is van misbruik van recht, kan een beroep op het vertrouwensbeginsel op die grond reeds niet slagen.

De beroepen tegen de naheffingsaanslagen worden ongegrond verklaard. Wel wordt een verzoek tot immateri√ęle vergoeding toegewezen op grond van overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank 7 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1140

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:1140