Gerechtshof Amsterdam: Inspecteur heeft toch terecht de gevraagde terugbetaling geweigerd

Belanghebbende heeft goederen (elektrotechnisch materieel of delen daarvan) uit Mexico door middel van een domiciliëringsprocedure geplaatst onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen”. Deze goederen zouden worden belast tegen een nul-recht indien bij de aangiften ten invoer op voorgeschreven wijze aanspraak zou zijn gemaakt op toepassing van een preferentieel tarief met preferentiële oorsprong Mexico. Belanghebbende heeft, op grond van art. 236 CDW, een verzoek om terugbetaling (144.368,79 euro) ingediend. Bij dit verzoek heeft zij EUR-1 certificaten overgelegd en tevens 14 bestanden uit de geautomatiseerde periodieke aangifte (hierna: GPA). Belanghebbende heeft in deze GPA-bestanden 159 nummers van EUR-1 certificaten vermeld. Tot de stukken van het geding behoort een overzicht waarop 149 EUR-1 certificaten staan vermeld. Van de 149 EUR-1 certificaten zijn er 128 buiten de geldingsduur ingediend bij de douane.

In hoger beroep is in geschil of de 128 EUR.1-certificaten achteraf kunnen worden aanvaard, zoals de Rechtbank in eerste aanleg oordeelde. Het Hof overweegt dat er tot terugbetaling wordt overgegaan indien het bedrag van de geheven rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was. Belanghebbende was de rechten wettelijk verschuldigd, omdat zij niet heeft verzocht om toepassing van het preferentiële tarief en evenmin beschikte over de EUR.-1 certificaten. Op grond van art. 889 UCDW jo. 890 UCDW kan terugbetaling toch plaatsvinden, indien er aan een viertal voorwaarden is voldaan. Tussen partijen is enkel in geschil de onder c genoemde voorwaarde van art. 980 CDW: of er aan alle voorwaarden is voldaan voor de aanvaarding van de EUR-1 certificaten.

Het Hof wijst er vervolgens op dat uit Bijlage III bij het Besluit nr. 2/2000 van de Gezamenlijke Raad EG-Mexico van 23 maart 2000 volgt dat een EUR.1-certificaat wordt afgegeven en ter beschikking van de exporteur wordt gesteld zodra de goederen werkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd. Dit voorschrift is niet nageleefd. Een EUR.1-certificaat kan evenwel – bij wijze van uitzondering – na de uitvoer worden afgegeven, indien dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd. Dit is hier het geval, de Mexicaanse autoriteiten hebben 128 EUR.1-cerftificaten a posteriori afgegeven.

In hoger beroep heeft de inspecteur, evenals in eerste aanleg, zich op het standpunt gesteld dat art. 22 lid 3 van voornoemde Bijlage aldus moet worden uitgelegd dat niet enkel de goederen moeten zijn aangebracht, als bedoeld in art. 40 CDW, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat, maar dat belanghebbende op het moment van aanbrengen ook over het (dan nog geldige) certificaat dient te beschikken. Volgens de inspecteur ziet deze bepaling op de situatie dat goederen, alvorens zij in het vrije verkeer worden gebracht, onder een schorsingsregeling worden geplaatst en de geldigheidsduur van het certificaat verstrijkt terwijl de goederen zich nog onder deze regeling bevinden.

De grief van de inspecteur slaagt. Het Hof acht aannemelijk dat de Gezamenlijke Raad EG-Mexico met het bepaalde in art. 22 lid 3 van Bijlage III bij het Besluit het oog heeft gehad op de situatie dat de geldigheidsduur van een oorsprongsbewijs verstrijkt terwijl de goederen waarop dit oorsprongsbewijs betrekking heeft zich onder een schorsingsregeling of een andere bijzondere regeling bevinden. Zonder de faciliteit van art. 22 lid 3 van de Bijlage zouden goederen ter behoud van de tariefpreferentie in het vrije verkeer moeten worden gebracht om de enkele reden dat de geldigheidsduur van het oorsprongsbewijs dreigt te verstrijken.

Bij zijn oordeelsvorming heeft het Hof mede acht geslagen op de onder richtlijnen van de Europese Commissie, die blijkens het derde gedachtestreepje onder het kopje ‘Legal references’, ook betrekking hebben op het thans in geding zijnde art. 22 lid 3 van Bijlage III bij het Besluit. Uit deze richtlijnen volgt dat buiten de geldigheidsduur overgelegde preferentiële oorsprongsbewijzen worden aanvaard, indien de goederen waarop deze – al dan niet a posteriori afgegeven – oorsprongsbewijzen betrekking hebben zich op het moment van het verstrijken van de geldigheidsduur bevinden onder een schorsingsregeling, dan wel onder enige andere bijzondere regeling (bijvoorbeeld tijdelijke opslag) waardoor het moment van in het vrije verkeer brengen is uitgesteld.

In onderhavige zaak is het echter zo dat de goederen weliswaar in het entrepot van belanghebbende zijn opgenomen, maar dat er voor de goederen zowel op het moment van inslag als uitslag nog geen EUR.1-certificaten waren uitgegeven. Art. 22 lid 3 van de Bijlage en art. 890 CDW missen daarom toepassing, waardoor het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Gerechtshof Amsterdam, 28 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1587

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:1587