Geslaagd beroep op pleitbaar standpunt ten aanzien van bestemming van onroerende zaak

Aan belanghebbende, een vennootschap, is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 24.000 en een vergrijpboete van € 12.000. In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende deskundig is op het gebied van de handel in en de exploitatie van onroerende zaken. Zij was in de jaren 2012 tot en met 2015 betrokken bij meer dan 60 transacties. Om die reden kan worden verwacht dat belanghebbende bekend is met de wet- en regelgeving op het gebied van de overdrachtsbelasting. Belanghebbende en X BV hebben bij het eerste bod de voorwaarde van het 2%-tarief gesteld. Partijen hebben bewust in de koopovereenkomst en akte het pand omschreven als ‘’perceel grond met opstal (zijnde een voormalig kantoorpand thans omvattende woningen/woonruimten), erf, tuin, en ondergrond’’, terwijl het pand te koop stond als kantoorpand. Daardoor heeft belanghebbende de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig overdrachtsbelasting zou worden geheven.

Belanghebbende doet een beroep op een pleitbaar standpunt, omdat de kwalificatie van de woning niet in strijd zou zijn met de geldende wet- en regelgeving en ook de notaris ervan overtuigd was dat toepassing van het 2%-tarief (hoogst)waarschijnlijk juist en, in ieder geval, pleitbaar was op dat moment.

De Rechtbank stelt vast dat bij de heffing van overdrachtsbelasting voor het lage tarief in aanmerking kan worden gekomen als het bouwwerk ‘’naar zijn aard bestemd is voor bewoning’’. De Rechtbank stelt evenwel vast dat de koopovereenkomst dateert van vóór de arresten van de Hoge Raad waarbij invulling is gegeven aan het criterium en daar bovendien uit op is te maken dat het in de praktijk niet altijd duidelijk was hoe het criterium moest worden toegepast. In dit licht beschouwt de Rechtbank de verklaring van belanghebbende, dat zij destijds voor de invulling ‘’naar zijn aard bestemd voor woning’’ voldoende achtte dat het pand de publiekrechtelijke bestemming ‘’gemengd’’ had en bewoond werd door zeven bewoners, geloofwaardig.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de verkrijging van het pand sprake was van (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende waardoor de vergrijpboete moet worden vernietigd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:3050