Gevangenisstraf wegens verstrekken van valse facturen aan fiscus waardoor te weinig belasting is geheven

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij opzettelijk valse facturen aan de Belastingdienst heeft verstrekt, waardoor te weinig belasting werd geheven.

Het Hof is van oordeel dat verdachte zich – als feitelijk leidinggever van een stichting – schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude door valse facturen aan de Belastingdienst ter beschikking te stellen. Deze facturen waren bedoeld ter onderbouwing van eerder ingediende onjuiste aangiften omzetbelasting. Naar aanleiding daarvan heeft de Belastingdienst teruggevraagde voorbelasting aan de stichting betaald. Het fiscaal nadeel bedraagt ten gevolge van het handelen van verdachte € 58.889.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er redenen zijn om van de oriëntatiepunten en de strafeis van de advocaat-generaal af te wijken. Verdachte is bereid een taakstraf – van desnoods 240 uur – uit te voeren. Verdachte doet liever iets terug voor de maatschappij in plaats van dat zij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ondergaat. De verdediging heeft in geval van een taakstraf geen bezwaar tegen oplegging van een langere voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft gewezen op de leeftijd van verdachte (geboren in 1950), haar blanco strafblad en het reclasseringsrapport. Verdachte is vaste oppas voor haar kleinkinderen, zodat een eventuele detentie ook gevolgen voor haar kinderen en kleinkinderen zal hebben. Daarnaast zal een detentie ook gevolgen voor haar partner hebben aangezien zij de kosten van hun woning delen.

Het Hof overweegt dat gelet op het grote benadelingsbedrag en de ernst van het feit met oplegging van een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur, niet kan worden volstaan. Hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Dat het geld louter voor de stichting zou zijn gebruikt, is het Hof niet gebleken en bovendien ook niet van belang.

Het Hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 5 maanden passend, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast acht het Hof – ter voorkoming van recidive en gelet op het misbruik dat verdachte van haar positie als bestuurder heeft gemaakt – passend en geboden dat verdachte het recht wordt ontzet tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 jaren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1081