Grove schuld bij toepassen afdrachtvermindering onderwijs niet aangetoond door inspecteur

Belanghebbende exploiteert een timmerfabriek. Haar activiteiten bestaan uit het vervaardigen van houten deuren, ramen en kozijnen en het verhandelen van de producten uit de timmerfabriek. Verschillende werknemers hebben een opleidingsprogramma bij belanghebbende gevolgd.

Belanghebbende heeft in haar loonaangiften voor de werknemers die het opleidingsprogramma hebben gevolgd, de afdrachtvermindering onderwijs toegepast. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende de afdrachtvermindering onderwijs ten onrechte heeft toegepast en is overgegaan tot het opleggen van naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2010 en 2011. De inspecteur heeft over 2010 en 2011 voorts vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 3.277 en € 7.227 waarbij is uitgegaan van grove schuld. Vanwege het tijdsverloop tussen de bekendmaking van het boetevoornemen en het opleggen van de boetes en de omstandigheid dat belanghebbende tijdens het onderzoek heeft meegewerkt, zijn de boetes gematigd tot 10% van de nageheven belasting.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank rust op de inspecteur de bewijslast dat sprake is van grove schuld. De Rechtbank overweegt dat belanghebbende ten onrechte de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast, omdat het opleidingsprogramma niet is gekwalificeerd als een beroepsopleiding in de zin van de WEB. Dit leidt tot het oordeel dat belanghebbende de loonheffingen die zij op aangifte moest afdragen gedeeltelijk niet heeft betaald.

Naar het oordeel van de Rechtbank is echter geen sprake van grove schuld. Belanghebbende verkeerde, op basis van informatie die zij had gekregen van een stichting, in de veronderstelling dat het opleidingsprogramma wel degelijk aan de eisen van de WEB voldeed. Zij mocht op die informatie vertrouwen, nu deze afkomstig is van een stichting die door de minister is erkend. Naar het oordeel van de Rechtbank kon en mocht belanghebbende – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs menen dat haar standpunt en daarmee de door haar gedane aangiften loonheffingen juist waren. Voor zover de boetes zijn gestoeld op de omstandigheid dat aan de praktijkovereenkomsten formele gebreken zouden kleven dan wel dat stukken ontbreken, is de Rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat die gebreken te wijten zijn aan de grove schuld van belanghebbende.

De Rechtbank vernietigt de opgelegde vergrijpboetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3890