Grove schuld van bestuurder kan aan vennootschap worden toegerekend

Aan belanghebbende, een groothandel in onder meer telecommunicatieapparatuur, is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met een vergrijpboete van € 30.554.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd. De inspecteur verwijt belanghebbende dat hij gezien zijn lange staat van dienst als ondernemer op de hoogte behoorde te zijn van de regelgeving op het gebied van het in aftrek te brengen van voorbelasting, zoals het beschikken over deugdelijke inkoopfacturen waarop alle noodzakelijke gegevens vermeld zijn. Ook voor contante inkopen beschikte belanghebbende niet over inkoopfacturen. Om die reden is de inspecteur van mening dat belanghebbende willens en wetens de omzetbelasting heeft verrekend terwijl hij wist dan wel had kunnen weten dat dit niet was toegestaan.

De inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd van 25%, omdat belanghebbende op z’n minst erg onzorgvuldig is geweest waardoor de Belastingdienst fors is benadeeld.

Naar het oordeel van de Rechtbank is aannemelijk dat ter zake van de leveringen van de mobiele telefoons niet is voldaan aan de wet- en regelgeving om voorbelasting in aftrek te brengen, met name omdat de verkoper ten tijde van de leveringen geen facturen heeft uitgereikt omdat ‘dit te veel gedoe zou zijn’. De voorbelasting ter zake de leveringen van mobiele telefoons is derhalve ten onrechte in de aangiften omzetbelasting in mindering gebracht op de verschuldigde omzetbelasting.

Naar het oordeel van de Rechtbank is het onder deze omstandigheden aan grove schuld van de bestuurder van belanghebbende te wijten dat de verschuldigde omzetbelasting niet is voldaan. Hij is immers een ervaren ondernemer, die wist dat belanghebbende van alle andere leveranciers wél facturen met vermelding van de in rekening gebrachte omzetbelasting ontving. Deze bestuurder had dus kunnen weten dat belanghebbende geen voorbelasting in aftrek had mogen brengen.

De Rechtbank overweegt dat het aannemelijk is geworden dat de bestuurder directeur en feitelijk leidinggevende van belanghebbende was, dat hij de in- en verkoop van telefoons feitelijk voor zijn rekening nam en dat hij de administratie van belanghebbende voerde, althans dat deze onder zijn verantwoordelijkheid werd gevoerd. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de Rechtbank van oordeel dat de grove onzorgvuldigheid van de bestuurder van belanghebbende, kan worden aangemerkt als grove schuld van belanghebbende.

De Rechtbank matigt de vergrijpboete omdat de boetegrondslag niet juist was berekend en omdat de redelijke termijn is overschreden. De Rechtbank komt uit op een boetebedrag van € 23.826 en acht dit bedrag passend en geboden.

Rechtbank Noord-Nederland 26 april 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1494