Handelen van verdachte – gelet op de context – niet onbegrijpelijk, verwijtbaar of benadelend

Verdachte wordt ervan verdacht opdracht te hebben gegeven dan wel feitelijk leiding te hebben gegeven aan het door bedrijf X opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte omzetbelasting over het 4e kwartaal van 2014.

De verdediging heeft aangevoerd dat het OM niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat niet is voldaan aan de criteria zoals opgenomen in de AAFD-richtlijnen. De Rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie – om na afloop van het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van een lager nadeelbedrag te vervolgen  – niet opnieuw hoeft te worden getoetst aan de criteria genoemd in de AAFD-richtlijnen. Eerder werd het benadelingsbedrag vastgesteld op € 214.639 op grond waarvan is besloten om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan.

Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verdachte is middellijk bestuurder van X en heeft aangiften omzetbelasting gedaan over het 3e kwartaal van 2013 en het 1e, 2e, en 3e kwartaal van 2014, waarbij per saldo een bedrag van € 88.638 aan omzetbelasting is teruggevraagd. De Belastingdienst heeft uitbetaling van dit bedrag geblokkeerd en gevraagd om een nadere onderbouwing van het bedrag.

Verdachte heeft deze nadere onderbouwing gegeven en heeft geen reactie van de inspecteur gekregen. Evenmin is het bedrag alsnog aan X uitbetaald door de Belastingdienst. Om die reden heeft verdachte – in het 4e kwartaal – onder rubriek 5E van de aangifte omzetbelasting (‘schatting van deze en vorige aangiften’) een bedrag van € 88.639 in mindering gebracht op de verschuldigde omzetbelasting.

De intentie van verdachte was om de teruggaaf over de vier kwartalen alsnog uitbetaald te krijgen. Het dossier bevat geen stukken waaruit blijkt dat de aangiften over de vier kwartalen niet op correcte wijze zijn gedaan.

De Rechtbank is van oordeel dat het opnemen van het totaalbedrag van de eerdere vier kwartalen als aftrekpost wellicht te denken geeft, maar daarmee is niet wettig en overtuigend bewezen dat bedrijf X hiermee opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. De door verdachte gestelde bedoeling van bedrijf X om de kennelijk ook achteraf als rechtmatig beoordeelde teruggaaf over het 3e kwartaal van 2013 en het 1e, 2e en 3e kwartaal van 2014 te verrekenen en zodoende tot een juiste heffing van de omzetbelasting te komen, wordt door het strafdossier en door hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd niet weerlegd en is gelet op de context niet als onbegrijpelijk, verwijtbaar of benadelend aan te merken.

De Rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:4164