Hof acht stellingen van hennepteler ongeloofwaardig en houdt vergrijpboete in stand

Op 11 april 2011 heeft een politieagent ter hoogte van de woning van belanghebbende de geur van hennep geroken. De desbetreffende politieagent constateerde dat de hennepgeur sterker werd naarmate hij de woning naderde en dat vanuit de garage van de woning een zoemend geluid afkomstig was soortgelijk als het geluid dat wordt gemaakt door een lopende afzuiging. Naar aanleiding van deze constateringen is door Enexis een netmeting verricht. Uit deze metingen bleek dat een duidelijk terugkerend schakelpatroon was te zien. Met toestemming van belanghebbende hebben agenten vervolgens de woning betreden en aldaar 219 hennepplanten aangetroffen. Belanghebbende is vervolgens strafrechtelijk veroordeeld voor het kweken en/of handelen in hennep. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd over 2009. Gelijktijdig is aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van € 9.218.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende gedurende een lange periode hennep heeft geteeld en daaruit inkomsten heeft genoten. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat er destijds diverse sporen aanwezig waren die wijzen op een langer gebruik ter plaatse en op meerdere oogsten. De inspecteur heeft voorts nog gewezen op 24 contante stortingen van in totaal € 26.700. De stellingen van belanghebbende – dat de hennepkwekerij niet van haar was en dat de contante stortingen afkomstig waren van een contante schenking – acht het Hof niet geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aanslag inkomstenbelasting tot een te laag bedrag is vastgesteld. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende naar een te laag bedrag aangifte heeft gedaan. Het Hof acht een boete van € 2.942 (25%) passend en geboden, gelet op het feit dat de verschuldigde belasting is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. De Rechtbank heeft de boete gematigd met € 231 in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Hiermee rekening houdend stelt het Hof de boete vast op € 2.711.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:2791