Hof acht strafrecht voor onbetaalde belastingschulden geen geschikt instrument en legt geen straf op

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij opzettelijk niet (tijdig) de belasting op aangifte heeft betaald.

Verdachte stelt zich op het standpunt dat hij geen opzet heeft gehad tot het niet betalen van omzetbelasting. Vanwege de benarde financiële situatie van de vennootschap waren er simpelweg geen middelen om de aanslagen te voldoen. Verdachte heeft verkeerde keuzes gemaakt, maar is steeds doorgegaan in de veronderstelling dat het tij wel zou keren en dat hij alsnog een betalingsregeling met de fiscus kon treffen.

Het Hof is van oordeel dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet met betrekking tot het niet voldoen van belastingaangiften als verdachte zich bewust is van (de aanmerkelijke kans) op het gevolg van zijn gedrag. In die zin heeft verdachte naar het oordeel van het Hof opzettelijk gehandeld. Het Hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van de strafmaat oordeelt het Hof als volgt. De wetgever heeft het oog gehad op kwaadwillende belastingschuldigen die opzettelijk hun activa uit het zicht van de Belastingdienst brengen om belastingbetaling te vermijden en zich ten koste van de gemeenschap te verrijken.

Het Hof ziet in het geval van verdachte geen aanwijzingen dat sprake is van kwaadwillendheid noch dat hij zichzelf heeft verrijkt. . Verdachte heeft de aan bedrijf X onttrokken gelden gebruikt om een eerder ontstane belastingschuld te betalen. Voorts heeft verdachte zijn werknemers en overige noodzakelijke bedrijfskosten betaald.

Het Hof is evenwel van oordeel dat de fiscale wetgeving voldoende instrumentarium aanreikt om belastingschuldigen zoals verdachte aan te pakken. Van de Belastingdienst mag daarbij een voortvarend en adequaat optreden verwacht worden. De inzet van het strafrecht is een ultimum remedium en is bedoeld voor andere gevallen waarin het instrumentarium aanwijsbaar te kort schiet.

Het Hof acht het om die reden raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:1244