Hof beoordeelt ambtshalve of een verzoek om teruggaaf omzetbelasting tijdig is ingediend

Belanghebbende verzoekt op 5 mei 2014 om teruggave van omzetbelasting voor een bedrag van €256.043,- op basis van artikel 29 lid 1 sub a Wet op de omzetbelasting. Het betreffende verzoek heeft betrekking op de periode 1 januari 2010 tot en met 30 september 2013. De behandelend Inspecteur heeft dit verzoek echter afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende slecht ten dele gegrond verklaard en geoordeeld dat belanghebbende slechts recht heeft op een teruggaaf van €61.269,- . Belanghebbende is tegen deze beslissing in beroep gekomen bij het Hof.

In de onderliggende zaak komen voor het Hof de volgende relevante feiten vast te staan.

Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak welke belanghebbende verhuurt aan bedrijf I. Laatstgenoemde heeft vanaf het tweede kwartaal van 2010 geen huur meer betaald aan belanghebbende.

Ter afwikkeling van de openstaande huurschuld ten bedrage van €1.002.665,- sluiten partijen op 26 april 2012 een vaststellingsovereenkomst. Hierin komen partijen overeen dat de openstaande post ter voldoening van de huurschuld wordt omgezet in een rekening-courant. Echter, reeds ten tijde van het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst stond vast dat bedrijf I in materiële zin failliet was. Het transformeren van de huurvordering in een rekening –courant betrof dan ook slechts een papieren exercitie, gericht op het ophouden van de schijn dat bedrijf I financieel gezond was.

Voorts sluiten belanghebbende en bedrijf I op 10 september 2013 een nieuwe vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de huurovereenkomst per 1 september 2013. Hierin is vervat dat de door bedrijf I niet-betaalde huur inmiddels is opgelopen tot een bedrag van €1.612.911,-, waarvan €1.259.886,- als rekening-courant en €353.025,- als huurschuld geboekt staat. De door belanghebbende aan bedrijf I gefactureerde omzetbelasting over beide bedragen bedraagt €264.228. De omzetbelasting over de huurschuld bedraagt op dat moment echter €61.269,-. Ook bij het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst was aanstonds duidelijk dat bedrijf I nimmer haar schuld aan belanghebbende zou kunnen voldoen.

In geschil is de vraag of belanghebbende recht heeft op volledige teruggaaf van omzetbelasting zoals zij die gefactureerd heeft aan het inmiddels failliet verklaarde bedrijf I.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 16 oktober 2009 geoordeeld dat het recht op teruggaaf ontstaat op het moment dat ‘redelijkerwijs kan worden aangenomen dat voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven’. De Hoge Raad overwoog destijds bovendien dat de crediteur in die beoordeling enige beoordelingsvrijheid bezit.

Het Hof overweegt vervolgens dat een belanghebbende inderdaad enige beoordelingsvrijheid bezit in de zojuist omschreven beoordeling, maar dat belanghebbende deze beoordelingsvrijheid in casu ruimschoots heeft overschreden. Uit de benoemde feiten blijkt immers dat ruim voor 2014 reeds vaststond dat debiteur ‘bedrijf I’ niet in staat zou zijn om aan zijn schuld te kunnen voldoen. Ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst op 10 september 2013 heeft bedrijf I immers al haar ondernemingsactiviteiten overgedragen aan een andere vennootschap. Deze overdracht heeft ertoe geleid dat er vanaf dat moment geen inkomstenbron in bedrijf I meer aanwezig was.  Zodoende is het verzoek van 5 mei 2014 om teruggave van omzetbelasting over de periode 1 januari tot en met 30 september 2013 door belanghebbende niet tijdig ingediend en om die reden niet-ontvankelijk.

Omtrent het zojuist door het Hof overwogene klaagt de belanghebbende tijdens het onderzoek ter terechtzitting dat het Hof zich ten onrechte heeft gebogen over de vraag of het verzoek door belanghebbende al dan niet tijdig is ingediend. De Inspecteur had tot op dat moment immers niet te kennen gegeven dat het verzoek te laat zou zijn ingediend, aldus belanghebbende. Het Hof legt deze klacht naast zich neer met de overweging dat indien dat partijen zich niet hebben geconcentreerd op een rechtsvraag die voor de beslissing van het geschil wel degelijk doorslaggevend is, dit niet betekent dat het Hof zich over een dergelijke vraag niet mag buigen.

De slotsom luidt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Gerechtshof ’s -Hertogenbosch 13 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3228

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:3228