Hof spreekt verdachten vrij van belastingfraude omdat uitgereikte aangiften omzetbelasting zijn ingediend ten name van een van rechtswege ontbonden fiscale eenheid

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij – als feitelijk leidinggever – opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan ten aanzien van de fiscale eenheid, waardoor te weinig belasting werd geheven. In eerste aanleg is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 240 uur.

Het Hof ziet zich voor de vraag gesteld of sprake was van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Het Hof stelt dienaangaande vast dat de tot de fiscale eenheid behorende ondernemingen hun feitelijke vestigingsplaats hebben verplaatst naar België. De achtergebleven – slechts op afspraak geopende – showroom in Nederland had slechts een zeer beperkte, ondergeschikte rol ten behoeve van de activiteiten in België.

Het Hof is van oordeel dat – nu de tot de fiscale eenheid behorende ondernemingen hun feitelijke vestigingsplaats hebben verplaatst naar België en geen sprake was van een vaste inrichting in Nederland – de vennootschappen niet meer voldeden aan het vestigingsvereiste, inhoudende dat de lichamen die deel uitmaken van de fiscale eenheid in Nederland moeten zijn gevestigd.

Ook was de (mede)verdachte reeds in België gaan wonen en voldeed hij niet meer aan het woonplaatsvereiste, inhoudende dat de natuurlijk persoon die deel uitmaakt van de fiscale eenheid in Nederland zijn woonplaats moet hebben. De fiscale eenheid was mitsdien van rechtswege ontbonden.

Het Hof overweegt dat de door de Belastingdienst aan een niet (meer) bestaande belastingplichtige, te weten de fiscale eenheid, uitgereikte aangiftebiljetten door belanghebbende zijn ingediend met vermelding van omzetbelasting. Nu er geen fiscale eenheid bestond, zijn de aangiften echter naar het oordeel van het Hof tot een te hoog bedrag vastgesteld en niet tot een te laag bedrag. Op de aangifte had belanghebbende kunnen volstaan met de opmerking dat en waarom de fiscale eenheid niet meer bestond en derhalve geen omzetbelasting was verschuldigd.

Het Hof is van oordeel dat bij gebreke van het bestaan van de fiscale eenheid niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het doen van een onjuiste aangifte ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Het Hof spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 20 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2771

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 20 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2772

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:2771

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:2772