Hof vernietigt aanslagen omdat belangenafweging inzake verkregen informatie van tipgever niet beoordeeld kan worden

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting alsmede vergrijpboetes opgelegd ter zake van vermogen dat in het buitenland zou worden aangehouden en niet is opgegeven aan de Belastingdienst.

Na verwijzing door de Hoge Raad wordt de zaak behandeld door het Hof Den Bosch. De FIOD is in contact gekomen met een tipgever die stelde over informatie te beschikken betreffende bankrekeningen van ingezetenen van Nederland bij drie in het buitenland gevestigde banken. Met de tipgever is overeengekomen dat hij deze informatie tegen vergoeding aan de Belastingdienst verstrekt.

Het verwijzingshof overweegt dat wat betreft de normen van subsidiariteit en proportionaliteit geldt dat de overheid geen andere, de rechtsorde minder verstorende, mogelijkheid moet hebben gehad om het bewijsmateriaal te vergaren (subsidiariteit). De proportionaliteit vergt dat een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de nagestreefde heffings- en aanverwante belangen enerzijds en de geschonden norm van een zuiver rechtsstatelijk handelen anderzijds. Het verwijzingshof is in dit verband van oordeel dat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verlangd dat zeer terughoudend wordt omgegaan met het betalen voor strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, aangezien dat strafrechtelijke onrechtmatige handelen daarmee onvermijdelijkerwijze wordt beloond, hoezeer met die betaling ook andere doeleinden worden nagestreefd.

De omstandigheden dat het strafrechtelijk laakbare handelen van de tipgever geen rol heeft gespeeld bij de belangenafweging en de omstandigheid dat geen inzicht is verschaft in de afwegingen ten aanzien van de verwachte overheidsinkomsten enerzijds en met de tipgever overeengekomen beloning anderzijds leiden ertoe dat het verwijzingshof niet kan beoordelen of de Belastingdienst in redelijkheid kon komen tot de gemaakte belangenafweging. Van een belangenafweging waarin de voornoemde strafrechtelijke laakbaarheid niet relevant wordt geacht, en waarin een onbekende, en dus potentieel zeer significante, vergoeding wordt betaald voor een bepaalde verwachte opbrengst kan in ieder geval niet zonder meer worden geoordeeld dat die in redelijkheid kon worden gemaakt.

Het verwijzingshof kan, gezien het gebrek aan inzicht in de gemaakte afweging, evenmin de ernst van het tekortschieten van de belangenafweging beoordelen. De consequenties daarvan dienen naar het oordeel van het verwijzingshof voor rekening van de inspecteur te komen. Dat brengt met zich mee dat het bewijsmateriaal in de onderhavige zaak van gebruik moet worden uitgesloten.

Het verwijzingshof vernietigt alle opgelegde aanslagen die zijn gebaseerd op informatie die afkomstig is van de tipgever.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 20 februari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:515

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:515