Hoge Raad casseert: verwijzingshof moet beoordelen of belanghebbende in haar verdedigingsrechten is geschaad

D BV en E BV hebben in opdracht van belanghebbende BV X, op eigen naam en voor eigen rekening diverse aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van verse knoflook. D BV heeft bij de aangiften telkens aanspraak gemaakt op een vrijstelling van douanerechten vanwege het GATT-contingent, onder overlegging van een invoercertificaat waarop Rusland als land van oorsprong is vermeld. E BV heeft Turkije als land van oorsprong opgegeven. Bij deze aangiften is telkens een kennelijk vals certificaat inzake goederenverkeer EUR-1 overlegd. De douane heeft de knoflook vrijgegeven zonder heffing van de douanerechten. Zowel bij D BV als bij E BV heeft de douane bij één van de aangiften een monster genomen van de ingevoerde knoflook.

De FIOD heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de juistheid van de aangegeven oorsprong van de knoflook en naar de geldigheid van het EUR-1 certificaat. De Inspecteur heeft op basis van het FIOD-onderzoek zich op het standpunt gesteld dat de vermelde oorsprong niet juist is geweest en dat de zendingen knoflook van oorsprong uit China komen. Bovendien zou bevestigd zijn dat het EUR-1 certificaat vals is. Voorts stelt de Inspecteur dat belanghebbende op de voet van art. 201, lid 3 CDW in samenhang gelezen met art. 54 van het Douanebesluit, aansprakelijk is voor de ten onrechte niet geheven douanerechten. Aan belanghebbende zijn ter zake hiervan UTB’s uitgereikt.

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het Hof geen omstandigheden heeft vastgesteld die rechtvaardigen dat de Inspecteur belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de UTB’s in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Hof bij zijn beoordeling over de bewijslevering van de oorsprong van de knoflook onterecht het belang dat belanghebbende mogelijk had bij teruggave van het monster buiten beschouwing heeft gelaten. Belanghebbende stelde namelijk dat hij niet in de gelegenheid is geweest om de door de douane ten tijde van de verificatie van de vermelde invoeraangiften genomen monsters zelf te laten onderzoeken op de oorsprong Rusland onderscheidenlijk Turkije. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat het Hof heeft nagelaten te beslissen op het door belanghebbende in hoger beroep gedane verzoek tot afgifte van de monsters. Hierdoor is belanghebbende in haar verdedigingsrechten geschaad.

De Hoge Raad casseert de uitspraak van het Hof. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof moet in de eerste plaats onderzoeken of er omstandigheden aanwezig zijn geweest die kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de UTB’s in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Indien het verwijzingshof op grond hiervan tot de beoordeling komt dat een of meer UTB’s in stand moet blijven dient het verwijzingshof bij de verdere beoordeling volgens de Hoge Raad het hierna volgende in aanmerking te nemen.

Indien de douaneautoriteiten een aangever tijdig in kennis ervan hebben gesteld dat zij het niet nodig vinden het genomen monster nog langer te bewaren en die aangever naar aanleiding van die kennisgeving niet heeft verzocht om teruggave van het monster, is de omstandigheid dat een monster in een gerechtelijke procedure niet meer ter beschikking staat van de Inspecteur die aangever aan te rekenen, en draagt hij het daardoor ontstane bewijsrisico. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat de onderhavige knoflook van oorsprong uit China is.

Indien de douaneautoriteiten hebben nagelaten de aangever de hiervoor bedoelde kennisgeving te doen en deze ook niet achterwege mocht blijven, valt dat de Inspecteur aan te rekenen. In dat geval dient het verwijzingshof de bewijspositie van belanghebbende aan de hand van de daartoe door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden te beoordelen of en zo ja welke gevolgen dit verzuim moet hebben.

(Zie ook de SpotOn van 11 december 2015 : https://www.despoton.nl/category/douane/page/14/)

Hoge Raad 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2980

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2980