Hoge Raad legt prejudiciële vraag voor aan HvJ EU betreffende de toetsing van de geldigheid van een verordening van de EU

Belanghebbende drijft internationaal handel in stalen en ijzeren bevestigingsmiddelen. Met het oog op de verkoop in de EU koopt zij deze producten onder meer in bij fabrikanten en leveranciers, gevestigd in o.a. China, Maleisië en Taiwan. Bij Uitvoeringsverordening nr. 723/2011 heeft de Raad het ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China uitgebreid tot aangewezen soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, verzonden uit Maleisië en al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië. Voor deze producten geldt het standaardtarief van het ingestelde definitieve antidumpingrecht.

Na de inwerkingtreding van Vo. (EU) nr. 723/2011 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een controle na invoer ingesteld. Hij heeft vervolgens van belanghebbende bij in één geschrift vervatte uitnodigingen tot betaling, in totaal € 587.802,20 aan antidumpingrechten geheven.

Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat Vo. (EU) nr. 723/2011 is vastgesteld zonder dat aan de voorwaarden die daarvoor ingevolge de Basisverordening gelden, is voldaan. Derhalve dient de verordening buiten toepassing te blijven. De Hoge Raad stelt dat het middel van belanghebbende de vraag doet rijzen naar de omvang van de taak van de nationale rechter bij de toetsing van handelingen van de instellingen van de Unie. Beantwoording van deze vraag is noodzakelijk voordat kan worden overgegaan tot verwijzing na cassatie naar een gerechtshof voor nadere beoordeling van de aangevoerde gronden. 

De Hoge Raad verzoekt ter zake hiervan het HvJ uitspraak te doen over de volgende drie vragen:

1.a. Moet art. 47 Handvest gelezen in samenhang met art. 4, lid 3 VEU aldus worden geïnterpreteerd dat een belanghebbende de wettigheid van een besluit van een instelling van de Unie dat door nationale autoriteiten ten uitvoer moet worden gelegd, kan bestrijden met een beroep op schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid?

1.b. Moet art. 47 Handvest gelezen in samenhang met art. 4, lid 3 VEU aldus worden geïnterpreteerd dat de instellingen van de Unie die zijn betrokken bij de totstandkoming van een besluit waarvan de geldigheid voor de nationale rechter worden bestreden, zijn gehouden deze rechter desgevraagd alle informatie te verstrekken waarover zij beschikken en die bij de totstandkoming van dat besluit door hen in aanmerking is genomen of in aanmerking hadden moeten worden genomen?

1.c. Moet art. 47 Handvest aldus worden geïnterpreteerd dat het recht op een doeltreffende voorziening met zich meebrengt dat de rechter zonder terughoudendheid toetst of aan de voorwaarden voor toepassing van art. 13 van de Basisverordening is voldaan? Brengt dit art. 47 in het bijzonder mee dat die rechter bevoegd is volledig te beoordelen of de vaststelling van de feiten volledig en adequaat is geweest om het ingeroepen rechtsgevolg te rechtvaardigen? Brengt dit art. 47 in het bijzonder ook mee dat die rechter bevoegd is volledig te beoordelen of feiten waarvan wordt gesteld dat zij niet bij de besluitvorming in aanmerking zijn genomen maar die zouden kunnen afdoen aan het rechtsgevolg dat is verbonden aan de wel vastgestelde feiten, in aanmerking genomen hadden moeten worden? 

HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2820

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2820