Hoge Raad oordeelt dat aangiftebiljet na aanslagoplegging geen aangifte is als bedoeld in de wet (AWR)

Verdachte is ten laste gelegd dat hij in 2005 valsheid in geschrifte heeft gepleegd door de inspecteur opzettelijk een vals aangiftebiljet inkomstenbelasting 2002 op te sturen, zonder daarin het saldo van zijn Duitse bankrekeningen en de waarde van onroerend goed in Spanje te vermelden.

De raadsman van verdachte heeft bij het Hof aangevoerd dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu op grond van art. 69, vierde lid, AWR strafvervolging ter zake van valsheid in geschrifte is uitgesloten, omdat het feit ook valt onder het bereik van art. 69, eerste of tweede lid, AWR valt. Het Hof heeft dit verweer verworpen, omdat verdachte in gebreke was gebleven met het indienen van een aangifte. Er is dienaangaande een ambtshalve aanslag opgelegd. Hiertegen is bezwaar aangetekend en (alsnog) een aangiftebiljet ingediend. Het Hof overweegt dat een na aanslagoplegging ingediend aangiftebiljet niet meer als een (tijdige) aangifte kan gelden als bedoeld in de wet. Reeds om die reden is de later opgestelde aangiftebiljet geen aangifte als bedoeld in (hoofdstuk 2 van) de AWR en is mitsdien de uitzondering van art. 69, vierde lid, AWR niet van toepassing.

Verdachte heeft tegen dit oordeel van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad acht de overweging van het Hof juist. De Hoge Raad overweegt dat een niet binnen de ingevolge art. 9 AWR bepaalde termijn ingediend aangiftebiljet, waarmee de inspecteur bij de aanslagoplegging geen rekening heeft kunnen houden, niet kan gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR.

Voorts overweegt de Hoge Raad dat het feit dat verdachte geen aangifte heeft gedaan, weliswaar onder de reikwijdte van art. 69 (oud) AWR valt, maar dat dit niet tevens inhoudt dat sprake is van samenloop als bedoeld in art. 69, vierde lid, AWR. Het indienen van een bezwaarschrift met gebruikmaking van een ingevulde aangiftebiljet, is naar het oordeel van de Hoge Raad immers niet een feit dat onder art. 69, eerste lid, AWR valt.

De overige middelen falen eveneens en de Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie.

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:1333