Honderdtachtig uur taakstraf voor dga die een deel van de omzet van het bedrijf op zijn dochters bankrekening stortte

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij in de periode 2007 tot en met 2011 opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan.

Verdachte was directeur grootaandeelhouder van bedrijf Z. Verdachte heeft een deel van de omzet zonder haar medeweten op een bankrekening op naam van zijn dochter laten storten en niet op de bankrekeningen behorende bij andere bedrijven die deel uitmaakten van de fiscale eenheid. Over de jaren 2005 tot en met 2013 ontving hij circa € 500.000 op de bankrekening op naam van zijn dochter. Deze omzet heeft hij niet opgegeven bij de Belastingdienst. Verdachte heeft op deze manier gehandeld, om naar eigen zeggen, “zijn privéleven wat te veraangenamen”. Volgens de Rechtbank heeft verdachte met zijn handelen de Staat benadeeld. Ook heeft hij zijn dochter blootgesteld aan grote financiële risico’s door gebruik te maken van haar bankrekening. Volgens de Rechtbank heeft verdachte enkel oog gehad voor zijn eigen financiële belangen. De Rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

De Rechtbank overweegt in het kader van de straftoemeting dat er sprake is van oude feiten, waarvan de redelijke termijn op 3 juli 2014 is gaan lopen. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze zaak in aanzienlijke mate is overschreven. Dit tijdsverloop maakt dat de Rechtbank het niet meer passend vindt om een gevangenisstraf op te leggen. Daarbij betrekt de Rechtbank ook het feit dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld en dat hij inmiddels de naheffingen van de Belastingdienst heeft voldaan. Wel vindt de Rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Hierbij heeft de Rechtbank de financiële situatie van verdachte in overweging genomen en het feit dat, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, de rekenings-courantschuld aan zijn in 2013 opgerichte bedrijf X inmiddels is opgelopen tot bijna € 200.000. Gelet op deze situatie wil de Rechtbank, door het opleggen van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, het risico beperken dat verdachte weer een soortgelijk feit begaat. Daarnaast legt de Rechtbank aan verdachte een taakstraf van 180 uur op.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:158