HR oordeelt dat aan een bezwaarschrift, dat ertoe strekt het bedrag van een belastingaanslag tot een bepaald bedrag te verminderen, geen bewijsbestemming in de zin van art 225 Sr toekomt

Verdachte is door het Hof veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte, nu in een door verdachte ingediend bezwaarschrift tegen een belastingaanslag inkomstenbelasting niet was opgenomen dat de belastingplichtige looninkomsten had genoten. In het bezwaarschrift werd verwezen naar een daarbij gevoegde aangiftebiljet. Daarin ligt naar het oordeel van het Hof besloten dat dit aangiftebiljet de gronden tot uitdrukking brengt waarop het bezwaar steunt en daarmee als onderdeel van het bezwaarschrift heeft te gelden. Het bezwaarschrift behelst daarbij in de kern het verzoek aan de inspecteur de aan de belastingplichtige opgelegde aanslag inkomstenbelasting te heroverwegen, in die zin dat deze aanslag tot nihil wordt verminderd omdat de belastingplichtige in het betreffende jaar geen looninkomsten heeft genoten.

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het Hof voor zover deze inhoudt dat het daarin vermelde bezwaarschrift bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen.

De Hoge Raad stelt vast dat het Hof heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift aldus is bestemd om tot het bewijs van de omvang van die looninkomsten te dienen. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad onjuist omdat aan een tegen een belastingaanslag gericht bezwaarschrift als zodanig, voor zover dat bezwaarschrift ertoe strekt het bedrag van de aanslag tot een bepaald bedrag te verminderen, in het maatschappelijk verkeer niet een zodanige betekenis voor het bewijs van de inhoud ervan pleegt te worden toegekend dat daaraan een bewijsstemming in de zin van art. 225 Sr toekomt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een niet binnen de wettelijke termijn ingediende aangifte waarmee de inspecteur bij de aanslagoplegging geen rekening heeft kunnen houden, niet kan gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel terecht is voorgesteld nu het onderhavige bezwaarschrift niet kan worden aangemerkt als een ‘geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen’, en vernietigt derhalve de bestreden uitspraak en spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Hoge Raad 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2542