HR oordeelt dat bestuurlijke boete niet aan een (voor derden kenbaar) ontbonden VOF kan worden opgelegd

A en B zijn overeengekomen per 1 oktober 2009 een VOF op te richten. In een aanvullende overeenkomst wordt daarbij opgenomen dat de VOF per 1 januari 2009 is gestart. De VOF is per 31 december 2009 ontbonden wegens het uittreden van B. Naar aanleiding van een boekenonderzoek in 2011 heeft de inspecteur een bestuurlijke boete opgelegd.

Bij het Hof was (onder meer) in geschil of terecht een boete aan de VOF was opgelegd. Het middel komt op tegen de uitspraak van het Hof waarbij het Hof de aan de VOF opgelegde boete in stand heeft gehouden. Het middel betoogt dat aan een ontbonden VOF geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat – overeenkomstig het strafrecht – het opleggen van een bestuurlijke boete aan een ontbonden VOF, slechts mogelijk is in gevallen waarin de kennisgeving van het voornemen tot boeteoplegging – of bij het ontbreken van de kennisgeving de boeteoplegging zelf – heeft plaatsgevonden voordat de ontbinding van de VOF voor derden kenbaar was (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister). In overige gevallen leidt kenbaarheid van de ontbinding voor derden ertoe dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan de ontbonden VOF vervalt. Indien uit de stukken het rechtstreekse en ernstige vermoeden rijst dat de VOF inmiddels is ontbonden, zal de inspecteur daarnaar onderzoek moeten doen. De Hoge Raad merkt daarbij op dat de bestuurlijke boete in dat geval wel aan de opdrachtgever dan wel de feitelijk leidinggever kan worden opgelegd.

De Hoge Raad merkt ambtshalve op dat aan de bepaling dat een personenvennootschap met terugwerkende kracht is overeengekomen, niet de betekenis kan worden toegekend dat die vennootschap als inhoudingsplichtige kan worden aangemerkt vóór het moment waarop zij tot stand is gekomen en als zodanig aan het maatschappelijk verkeer is gaan deelnemen.

De Hoge Raad verwijst de zaak en overweegt ten aanzien van de boete dat moet worden vastgesteld of, en zo ja, wanneer, de ontbinding van de VOF voor derden bekend is geworden dan wel de inspecteur daarvan op de hoogte is geraakt en wanneer de boete voor het eerst is aangekondigd.

Hoge Raad 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:2655