HvJ EU legt begrip ‘gewettigd vertrouwen’ uit

Veloserviss heeft fietsen uit Cambodja in de EU geïmporteerd om ze aldaar in het vrije verkeer te brengen. Overeenkomstig het certificaat van oorsprong dat door de Cambodjaanse regering was afgegeven, heeft Veloserviss geen douanerechten of btw betaald. De Belastingdienst heeft in 2008 een eerste douanecontrole achteraf verricht voor de periode waarin de betrokken fietsen zijn ingevoerd, daarbij zijn geen onregelmatigheden. In 2010 heeft de Belastingdienst informatie ontvangen van OLAF, waaruit bleek dat het door de Cambodjaanse regering voor de betrokken goederen afgegeven certificaat van oorsprong niet voldeed aan het Unierecht. Op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst een tweede controle achteraf uitgevoerd en heeft hij vastgesteld dat die goederen ten onrechte van douanerechten waren vrijgesteld. Bijgevolg heeft de Belastingdienst Veloserviss gelast om douanerechten en btw, vermeerderd met vertragingsrente, te betalen.

De hoogste bestuursrechter in Letland heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof prejudiciële vragen gesteld over hoe het begrip ‘te goeder trouw handelen’ als bedoeld in art. 220 lid 2 onder b CDW moet worden uitgelegd. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter het Hof of de algemene beschrijving van de situatie en de conclusies in het verslag van OLAF afdoende bewijs vormen dat de importeur niet heeft voldaan aan zijn verplichting om te goeder trouw te handelen, of moeten de nationale douaneautoriteiten daarentegen aanvullend bewijs van het gedrag van de exporteur vergaren?

Volgens het Hof wenst de verwijzende rechter met de eerste vraag in wezen te vernemen of artikel 220 lid 2 onder b CDW aldus moet worden uitgelegd dat een importeur, onder aanvoering van zijn goede trouw, een gewettigd vertrouwen op grond van deze bepaling kan aanvoeren om zich te verzetten tegen een boeking achteraf van invoerrechten. Uit vaste rechtspraak van het Hof vloeit voort dat een importeur slechts een gewettigd vertrouwen kan inroepen, en aldus aanspraak kan maken op de aldaar vastgestelde uitzondering op navordering, wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Allereerst moet inning van de rechten achterwege zijn gebleven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf, vervolgens moet de vergissing van deze autoriteiten van dien aard zijn geweest dat een belastingplichtige te goeder trouw deze redelijkerwijze niet kon ontdekken, en ten slotte moet laatstbedoelde voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving hebben voldaan.

Van een dergelijk gewettigd vertrouwen is met name geen sprake wanneer een importeur, hoewel hij duidelijke redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid van een certificaat van oorsprong, niet ertoe is overgegaan om, binnen de mate van hetgeen voor hem mogelijk was, de omstandigheden inzake de afgifte van dat certificaat te onderzoeken teneinde na te gaan of die twijfels gegrond waren. Een dergelijke verplichting betekent evenwel niet dat de importeur algemeen gehouden is om systematisch de omstandigheden te controleren waaronder de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer een certificaat van oorsprong hebben afgegeven. Het staat aan de verwijzende rechter om aan de hand van alle concrete elementen van het hoofdgeding te beoordelen of in casu aan die drie voorwaarden is voldaan.

Op de tweede vraag moet worden geantwoord dat art. 220 lid 2 onder b CDW aldus moet worden uitgelegd dat in een zaak als die in het hoofdgeding, uit de gegevens in een OLAF-verslag kan worden afgeleid dat een importeur zich niet kan beroepen op een gewettigd vertrouwen op grond van deze bepaling om zich te verzetten tegen een boeking achteraf van de invoerrechten. Wanneer een dergelijk verslag slechts een algemene beschrijving van de betrokken situatie bevat kan dit verslag op zichzelf echter niet volstaan om rechtens genoegzaam aan te tonen dat in alle opzichten daadwerkelijk aan die voorwaarden is voldaan, met name wat betreft de relevante gedraging van de exporteur. Dan staat het in beginsel aan de douaneautoriteiten van de staat van invoer om te bewijzen dat de afgifte van een onjuist certificaat van oorsprong door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer, te wijten is aan de onjuiste voorstelling van de feiten door de exporteur. Wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer dat bewijs niet kunnen leveren, staat het in voorkomend geval echter aan de importeur om te bewijzen dat het certificaat is opgesteld op basis van een juiste weergave van de feiten door de exporteur.

HvJ EU 16 maart 2017, nr. C-47/16

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=188964&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=550314