HvJ EU legt reikwijdte van artikelen 203 en 204 CDW uit na prejudiciƫle vragen

Het verzoek om een prejudiciĆ«le beslissing is door de hoogste Letse bestuursrechter ingediend in het kader van een geding tussen Latvijas DzelzceļŔ VAS (hierna: LDz) en de Letse belastingdienst over de betaling van een douaneschuld. LDz heeft als aangever op 25 februari 2011 een aantal tankwagons onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatst. Tijdens het vervoer van de goederen bleek dat de onderste losinstallatie van een van de tankwagon lekte. Na een procedure in het land van de verwijzende rechter heeft de verwijzende rechter vragen gesteld over hoe enkele bepalingen uit het CDW dienen te worden uitgelegd, waaronder art. 203 en 204 CDW.

De eerste vraag van de verwijzende rechter ziet op de toepassing van art. 203 lid 1 CDW. Vindt dit artikel ook toepassing indien niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen wordt aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan? Volgens het HvJ EU volgt uit vaste jurisprudentie dat het begrip ā€˜onttrekken aan het douanetoezichtā€™ in de zin van voornoemd artikel zo moet worden opgevat dat hieronder wordt verstaan elk handelen of nalaten als gevolg waarvan de bevoegde douaneautoriteit de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen, ook al is dit slechts tijdelijk.

De verwijzende rechter neemt in casu aan dat er sprake is van een algehele vernietiging van een deel van de goederen. Het HvJ EU stelt in de eerste plaats dat het verdwijnen van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen in beginsel een onttrekking daarvan aan het douanetoezicht in de zin van art. 203 lid 1 CDW vormt, voor zover de douane in haar toegang tot de goederen wordt beperkt. Het HvJ EU overweegt voorts dat de toepassing van art. 203 lid 1 CDW aan de orde is wanneer met het verdwijnen van de goederen het risico ontstaat dat zij in het economische circuit van de Unie terechtkomen zonder te zijn ingeklaard. Dit is echter niet het geval bij het verdwijnen van goederen door hun algehele vernietiging of onherstelbaar verlies, zo overweegt het HvJ EU. Gelet daarop mist art. 203 lid 1 CDW in deze zaak toepassing.

De tweede vraag van de verwijzende rechter ziet op de reikwijdte van art. 204 en 206 CDW in het onderhavige geval. Moeten de goederen die vernietigd zijn, terwijl zij onder de regeling extern douanevervoer bevonden, buiten beschouwing worden gelaten bij het berekenen van de douaneschuld? Het HvJ EU merkt op dat art. 203 en 204 van het douanewetboek een verschillende werkingssfeer hebben. Onder art. 204 CDW vallen slechts de gevallen die niet onder art. 203 CDW vallen en waarbijĀ niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen die ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst.

Het HvJ EU overweegt ten aanzien van de toepassing van art. 204 lid 1 onder a CDW het volgende. Het artikel moet zo worden uitgelegd dat wanneer niet het totale volume van onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen is aangebracht bij het door die regeling bepaalde douanekantoor van bestemming omdat een deel van die goederen geheel is vernietigd of onherstelbaar verloren is gegaan, die situatie in beginsel een douaneschuld bij invoer doet ontstaan. De douaneschuld ontstaat voor het deel van de goederen dat niet bij het douanekantoor is aangebracht, aangezien er sprake is van niet-nakoming van een van de verplichtingen van die regeling, namelijk het aanbrengen van ongeschonden goederen op het douanekantoor van bestemming.

Het HvJ EU merkt op dat het aan de nationale rechter om na te gaan of een omstandigheid zoals de beschadiging van een losinstallatie in casu beantwoordt aan de criteria die gelden voor de begrippen overmacht en toeval in de zin van art. 206 lid 1 CDW. Deze begrippen moeten in het douanerecht strikt worden uitgelegd. De nationale rechter dient na te gaan of een omstandigheid, zoals de beschadiging van een losinstallatie in casu, abnormaal is voor een marktdeelnemer die actief is op het vlak van het vervoer van vloeibare stoffen en een omstandigheid buiten zijn toedoen is, en of die gevolgen niet hadden kunnen worden vermeden ondanks alle aan de dag gelegde zorgvuldigheid.

HvJ EU, 18 mei 2017, C-154/16

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d0f130d50a55ffaca11c41cc8f9efce6d956f328.e34KaxiLc3eQc40LaxqMbN4PaxmSe0?text=&docid=190788&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=264321