Medeplichtigheid aan oplichten Belastingdienst leidt tot 3 maanden celstraf

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat hij – als medepleger – de Belastingdienst heeft opgelicht, door middel van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Subsidiair is ten laste gelegd dat hij medeplichtig is aan oplichting van de Belastingdienst.

De verdediging voert aan dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, nu verdachte geen opzet heeft gehad op het doen van onjuiste belastingaangiften. Naar het oordeel van de verdediging zijn de cijfers die zijn ingevoerd in de belastingaangiften niet te kwalificeren als oplichting, nu er geen sprake is van een valse naam, valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of samenweefsel van verdichtsels. Ook wordt aangevoerd dat een verklaring van een getuige niet betrouwbaar is, omdat zij door de FIOD is gevoed met informatie. Tot slot wordt verdedigd dat geen sprake is van medeplegen, nu er geen nauwe en bewuste samenwerking is geweest.

De Rechtbank stelt vast dat medeverdachte X (hierna: X) de Belastingdienst heeft opgelicht. Uit de verklaringen van de benadeelden blijkt telkens dat zij via verdachte in contact kwamen met X. X hielp hen met het oprichten en inschrijven van CV’s bij de KvK. Vervolgens werd er met hulp van X of van verdachte voor elke CV bij de ING-bank een rekening geopend waarbij bankpassen worden verstrekt. De bankpassen werden al dan niet via verdachte beheerd door X. Alle correspondentie met de bank en de Belastingdienst met de betreffende CV’s werd eveneens (via verdachte) ter beschikking gesteld aan X.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de Rechtbank dat X met hulp van verdachte, katvangers heeft bewogen om CV’s op te richten en op naam van die CV’s bankrekeningen te openen, waarover X vervolgens de volledige zeggenschap had terwijl zij geen enkele (formele) relatie had tot die CV’s. Eveneens volgt uit het voorgaande dat die CV’s geen ondernemingen in de zin van de Wet OB dreven. X heeft haar zeggenschap gebruikt om valse, onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen. De Rechtbank is derhalve van oordeel dat het handelen van X een listige kunstgreep oplevert, waardoor de Belastingdienst bewogen werd tot afgifte van teruggaven van omzetbelasting.

Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt de Rechtbank dat hij de contacten heeft gelegd, hun paspoorten kopieerde en het vervoer regelde naar de KvK en de bank. Voorts zorgde hij ervoor dat alle correspondentie in handen van X kwam. De Rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de verklaring van de betreffende getuige niet mag worden meegenomen omdat zij door de FIOD zou zijn beïnvloed, nu daarvan niet is gebleken.

Voor medeplichtigheid acht de Rechtbank voldoende bewijs aanwezig. Verdachte was er van op de hoogte dat de eigenaren van de ondernemingen de beschikking daarover afstonden en bovendien wist verdachte dat ook alle correspondentie over die ondernemingen aan X werd afgestaan.

De Rechtbank veroordeelt verdachte voor medeplichtigheid aan oplichting van de Belastingdienst en legt een  onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden.

Rechtbank Limburg 24 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:4627

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2016:4627