Naheffingsaanslag accijns terecht opgelegd, inspecteur voldoet aan de bewijslast

Belanghebbende heeft een eenmanszaak, de eenmanszaak heeft als activiteiten een detailhandel en een groothandel in tabaksproducten en rokersbenodigdheden. Sinds mei 2011 boden belanghebbende en zijn partner via een website Belgische tabaksproducten aan, zijnde rooktabak bestaande uit shag en hulzentabak welke niet in de Nederlandse accijnsheffingen zijn betrokken. Na een onderzoek van de FIOD heeft de inspecteur een naheffingsaanslag accijns van € 704.087,41 opgelegd.

In hoger beroep is onder andere in geschil of de Rechtbank de bewijslast ter zake van de naheffingsaanslag ten onrechte op belanghebbende heeft gelegd. Verder is in geschil of belanghebbende de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad. Daarnaast is in geschil of de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Voorts is in geschil of het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur of het EVRM.

De Rechtbank heeft vooropgesteld dat op de inspecteur de bewijslast rust dat het door hem gestelde belastbare feit, in dit geval de uitslag tot verbruik, zich heeft voorgedaan. Gelet hierop kan het Hof belanghebbende niet volgen in zijn stelling dat de Rechtbank de bewijslast op belanghebbende heeft gelegd. Ten aanzien van de vraag of belanghebbende en zijn vrouw de accijnsgoederen al dan niet voorhanden hebben gehad oordeelt het Hof als volgt. Naar de mening van het Hof hebben zij de feitelijke beschikkingsmacht over de litigieuze accijnsgoederen gehad en hadden zij de wetenschap dat die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing waren betrokken. De stelling van belanghebbende dat hij geen juridisch eigenaar was van de aan zijn afnemers verkochte accijnsgoederen, wat volgens belanghebbende betekent dat de betreffende accijns van de afnemers had moeten worden geheven, faalt.

Wat betreft het geschilpunt of de inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt of de naheffingsaanslag niet tot een juist bedrag is opgelegd, oordeelt het Hof dat belanghebbende geen feiten naar voren heeft gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat de naheffingsaanslag tot een te laag bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van de bestreden naheffingsaanslag het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door voor het opleggen van de bestreden naheffingsaanslag gebruik te maken van bedoelde bevindingen en conclusies van de FIOD en ter zake geen eigen onderzoek te doen. Het Hof overweegt dat er geen rechtsregel is die de inspecteur gebiedt om zelfstandig een (nader) onderzoek in te stellen naar de juistheid van bedoelde bevindingen en conclusies van de FIOD. Ook een beroep van belanghebbende op enkele andere rechtsbeginselen faalt.

Belanghebbende stelt tot slot nog dat de inspecteur de mogelijkheid had om talloze eindverbruikers als primaire belastingplichtigen in de naheffing van accijns te betrekken. Tevens stelt belanghebbende dat hij en zijn partner worden getroffen door een individuele en buitensporige last nu zij voor het totaalbedrag aan accijns van € 704.087,41 worden aangesproken. Het Hof overweegt dat belanghebbende en zijn partner terecht in de heffing zijn betrokken. De naheffing wordt geheel gedragen door wettelijke regels. Gesteld noch gebleken is dat de wetgever zijn beoordelingsmarge inzake deze wettelijke regels te buiten is gegaan. Daarmee is ook niet sprake van een individuele (en buitensporige) last. Uit art. 1 Eerste Protocol EVRM vloeit voort dat een effectieve betwisting van de rechtmatigheid van een naheffingsaanslag mogelijk moet zijn. Het in de WA en AWR voorziene stelsel van rechtsbescherming voorziet erin dat een naheffingsaanslag als de onderhavige door de rechter kan worden vernietigd of verminderd indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de eis dat een effectieve betwisting van de rechtmatigheid van een naheffingsaanslag mogelijk is.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank, onder verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 13 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1623

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:1623