Naheffingsaanslag Mrb met verzuimboete terecht opgelegd nu belanghebbende niet heeft doen blijken dat de auto hem niet feitelijk ter beschikking stond

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van €2.847 met een verzuimboete van €2.847.

Belanghebbende staat sinds 1997 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (Brp). Bij een controle in 2017 is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van een auto met Pools kenteken gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. Naar aanleiding van deze constatering heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd met een verzuimboete.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als houder van de auto. Er is volgens de Rechtbank voldaan aan het wettelijk criterium ‘feitelijk ter beschikking hebben’ uit de Wet Mrb. Dit kan alleen anders zijn indien belanghebbende heeft doen blijken dat de auto hem niet feitelijk ter beschikking stond. Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat de auto op genoemde datum hem slechts enkele uren ter beschikking stond. De auto is eigendom van zijn dochter en zij gebruikt de auto in Polen. De inspecteur heeft een proces-verbaal van bevindingen ingebracht met daarin een verklaring dat het motorrijtuig tussen 2015 en 2017 met regelmaat werd aangetroffen bij de woning van de bestuurder. De Rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan het proces-verbaal en neemt voorts in aanmerking dat de verklaringen die namens belanghebbende zijn overgelegd niet altijd  met elkaar stroken. De Rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Verder heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat een brief van de inspecteur bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat geen naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting zou worden opgelegd. Hij heeft genoemde brief opgevat als een waarschuwing. Naar het oordeel van de Rechtbank is er geen sprake van opgewekt vertrouwen. De BPM betreft een andere heffing. Indien belanghebbende twijfelde op welk belastingmiddel de brief betrekking had, had het op zijn weg gelegen hier nader onderzoek naar te doen.

Voorts is voor het opleggen van een boete niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Er zijn door eiser geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat sprake is van avas.

Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete op financiële gronden te matigen. De verklaring dat belanghebbende €750 per maand verdient is niet met nadere stukken onderbouwd. De inspecteur heeft verklaard dat in zijn systemen geen actuele inkomensgegevens van belanghebbende bekend zijn aangezien belanghebbende geen aangifte inkomstenbelasting indient en enkel ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting aan belanghebbende worden opgelegd. Nu belanghebbende geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie ziet de Rechtbank geen aanleiding om de boete op financiële gronden te matigen. De Rechtbank acht de boete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:1048