Navorderingen en vergrijpboetes in verband met zwarte vlees- en paardenhandel die aan het licht is gekomen vanwege een rookmelding

De politie heeft op het adres van belanghebbende, na een melding van rookontwikkeling, een werkend XTC-laboratorium aangetroffen. Tijdens het doorzoeken van de woning zijn diverse (financiële) administratieve bescheiden in beslag genomen. De inspecteur heeft de gegevens van het strafdossier opgevraagd bij de officier van justitie. Daaruit is gebleken dat belanghebbende heeft gehandeld in vleeswaren en paarden(attributen) en dat de inkomsten daaruit niet zijn opgegeven.

Er zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Over de jaren 2008 en 2009 zijn eveneens vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 7.238 en € 7.828 (50% over het bedrag van de navorderingsaanslagen). Onder meer is in geschil of de opgelegde vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

In het boeterapport wordt belanghebbende verweten dat hij niet het juiste inkomen heeft opgegeven. Immers heeft belanghebbende verklaard dat hij in die jaren een buitenlandse onderneming in vleesproducten heeft gedreven en daarnaast ook heeft gehandeld in paarden(attributen). De handel in vlees is aantoonbaar gebleken uit de in beslag genomen documenten op het woonadres van belanghebbende. De inspecteur stelt dat belanghebbende dan ook op de hoogte moet zijn geweest van de toepasselijke administratieve en fiscale verantwoordelijkheden die daarbij horen.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De Rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende inkomsten uit overige werkzaamheden heeft genoten en deze inkomsten bewust niet in zijn aangiften heeft opgenomen. Vergrijpboetes van 50% acht de Rechtbank dan ook in beginsel op zijn plaats.

Belanghebbende verzoekt om matiging van de vergrijpboetes, omdat hij slechts een AOW-uitkering zou genieten en de uitkeringsinstantie ook een uitgebreide vermogenstoets zou hebben uitgevoerd.

De Rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat belanghebbende – zoals hij zelf heeft verklaard – een bankrekening in Zwitserland heeft (gehad) en dat belanghebbende vermogen in het buitenland kan hebben (gehad). Er zijn immers verschillende contante stortingen gedaan in het buitenland en belanghebbende heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt hoe hij aan die bedragen is gekomen en wat er is gebeurd met het geld na het afstorten daarvan. Ook heeft belanghebbende verklaard dat hij geld in de grond verborgen hield. Het betoog dat het inkomen en vermogen van belanghebbende uitsluitend bestaat uit de AOW-uitkering acht de Rechtbank niet aannemelijk. De Rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vergrijpboetes te matigen vanwege de draagkracht van belanghebbende. Wel matigt de Rechtbank de vergrijpboetes met 20% in verband overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:1426