Niet (tijdig) geven van cautie heeft (ook) in fiscale zaken geen gevolgen als belanghebbende niet is benadeeld

Aan belanghebbende zijn vergrijpboetes opgelegd, welke in hoger beroep in geschil waren. Het Hof heeft verzuimd de zogenoemde cautie te geven, de aan een ondervraging voorafgaande mededeling dat belanghebbende niet verplicht is vragen te beantwoorden. Het cassatiemiddel komt op tegen het feit dat de cautie niet (tijdig) is gegeven door het Hof.

De Hoge Raad is van oordeel dat uit de wet en de parlementaire geschiedenis volgt dat de mededeling dat antwoorden niet verplicht is, moet worden gedaan in alle gevallen waarin anders dan schriftelijk vragen aan de belanghebbende worden gesteld die betrekking hebben op een bestuurlijke boete.

Dat strookt met de betekenis en uitleg van verhoorvoorschriften uit het Wetboek van Strafvordering. Daaruit blijkt dat – tijdens de terechtzitting – verdachte het recht heeft om vragen betreffende diens betrokkenheid bij het vermoedelijke begane strafbare feit onbeantwoord te laten. Bij een mondelinge behandeling wordt de cautie gezien als een zo wezenlijk voorschrift dat het verzuim die cautie te geven in de regel ertoe zal leiden dat de verkregen antwoorden voor het bewijs onbruikbaar zijn.

De Hoge Raad overweegt dat ook in (hoger) beroep in zaken waarin een bestuurlijke boete aan de orde is, de voorschriften ter bescherming van de verklaringsvrijheid behoren tot de wezenlijke waarborgen voor een behoorlijk proces. De cautie dient daarmee tijdig te worden gedaan. De rechtspraak betreffende strafzaken erkent dat het verzuim die cautie (tijdig) te geven zonder gevolgen kan blijven indien de rechter kan vaststellen dat de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad. De Hoge Raad is van oordeel dat er geen grond is een andere maatstaf te hanteren, ten aanzien van een fiscaal geding waarbij (ook) een boete moet worden beoordeeld. Omdat niet is gebleken dat het bewijs van het beboetbare feit is ontleend aan een ter zitting van het Hof namens belanghebbende afgelegde verklaring, kan het middel niet tot cassatie leiden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:1786