Omzet van belastingadviseur die duizenden belastingaangiften deed voor particulieren niet aan fiscus doorgegeven

Aan belanghebbende zijn (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd, alsmede vergrijpboeten. Belanghebbendes activiteiten bestonden uit het geven van organisatie-, financierings-, assurantie- en belastingadvies en het verrichten van administratieve dienstverlening. Onder meer deed belanghebbende belastingaangiften voor ondernemers en particulieren.

Op enig moment is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar belanghebbende. Het vermoeden is gerezen dat belanghebbende opzettelijk onjuiste belastingaangiften deed voor particuliere cliënten. Het vergaarde bewijsmateriaal is door de officier van justitie aan de inspecteur overhandigd. Vervolgens heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld, hetgeen heeft geleid tot de (navorderings)aanslagen.

Uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende te weinig omzet heeft doorgegeven aan de Belastingdienst en bovendien kosten heeft opgevoerd die – op grond van de administratie – niet kunnen worden onderbouwd. De inspecteur heeft de omzet van belanghebbende daarom geschat. Daarbij zijn eveneens vergrijpboeten opgelegd omdat volgens de inspecteur sprake is van (voorwaardelijk) opzet bij belanghebbende op het betalen van te weinig belasting. In beginsel heeft de inspecteur vergrijpboeten van 50% opgelegd, maar deze zijn vervolgens door de inspecteur gematigd tot 40% vanwege de theoretische omzetberekening.

Naar het oordeel van de Rechtbank is het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten dat op basis van zijn aangiften te weinig belasting is geheven. Over het jaar 2010 vloeit die opzet voort uit het feit dat een te lage omzet is aangegeven en kosten zonder onderbouwing in aftrek zijn gebracht. Doordat de administratie niet op orde was, heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat van een te lage omzet zou worden uitgegaan. Ter zake van de in aftrek gebrachte kosten is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende moet hebben geweten dat hij deze dient te kunnen onderbouwen. Gelet op het ontbreken van iedere onderbouwing moet belanghebbende, volgens de Rechtbank, hebben geweten dat hij de kosten ten onrechte, althans tot een te hoog bedrag, in aftrek heeft gebracht.

Over het jaar 2012 is in het geheel geen omzet doorgegeven, nu belanghebbende zich op het standpunt stelt dat zijn werkzaamheden in Duitsland belast zijn. Nu belanghebbende zonder enige redelijke grond de stelling inneemt dat zijn werkzaamheden in Duitsland belast zijn, heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank ten minste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ten onrechte geen (Nederlandse) inkomstenbelasting geheven zou worden over zijn werkzaamheden.

De vergrijpboeten van 40% acht de Rechtbank passend en geboden. De boetes worden wel verminderd met 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Gelderland 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5675

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:5675