Ondernemer veroordeeld voor belastingfraude

Aan verdachte wordt onder meer tenlastegelegd dat hij – al dan niet als feitelijk leidinggever – opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting heeft ingediend.

Het Hof overweegt dat verdachte, als directeur grootaandeelhouder, over een periode van vijf jaren facturen heeft laten vervalsen om zo de kosten van geleverde goederen en diensten voor zijn privéwoning en privé doeleinden van derden zakelijk te kunnen boeken. Als gevolg daarvan heeft hij onjuiste aangiften inkomstenbelasting gedaan en heeft hij bewerkstelligd dat aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting van zijn vennootschappen over meerdere jaren onjuist zijn ingediend.

Verdachte heeft zich naar het oordeel van het Hof bij zijn handelen – hoewel hij dit financieel gezien, ook in zakelijk opzicht, geenszins nodig had – slechts laten leiden door eigen financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving en voor zijn leveranciers, die hij hierin heeft meegetrokken. Het Hof acht dit, mede gelet op zijn verantwoordelijke functie als bestuurder van verschillende vennootschappen, zeer kwalijk. In het voordeel van verdachte houdt het Hof rekening met het feit dat het fiscale nadeel reeds door verdachte aan de Belastingdienst is voldaan.

Het Hof gaat uit van een benadelingsbedrag dat ergens ligt tussen het standpunt van de raadslieden, namelijk  € 550.000 en het standpunt van de belastingdienst, te weten € 982.000. Alles afwegende komt het Hof tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf – ondanks de verweren waaronder de gevolgen die zo een straf zal hebben voor de betrokken ondernemingen – onontkoombaar is. Het Hof wil wel aannemen dat het opleggen van een vrijheidsbenemende straf consequenties zal hebben voor het bedrijf van verdachte, maar bij een fraude van deze omvang valt niet te ontkomen aan de oplegging van een gevangenisstraf.

Gelet op de duur, omvang en het karakter van de strafbare feiten, mede gelet op de aan de tegelijk met verdachte terecht staande vennootschappen op te leggen straffen die verdachte – indirect – in zijn vermogen zullen treffen, komt het Hof tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het Hof geen aanleiding om aan verdachte de bijkomende straf van ontzetting van de uitoefening van het beroep van bestuurder op te leggen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1574

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:1574