Ontnemingsvordering tóch mogelijk indien naast fiscale feiten ook sprake is van niet-fiscale feiten

Tegen veroordeelde is een ontnemingsvordering aanhangig gemaakt naar aanleiding van opzettelijk ingediende belastingaangiften, waardoor te weinig belasting is geheven.

Veroordeelde heeft als belastingadviseur namens klanten aangiften inkomstenbelasting gedaan en die klanten betaalden hem voor het doen van die aangiften. Vast is komen te staan dat in een groot aantal gevallen sprake was van een onjuiste belastingaangifte en dat daarmee sprake was van valsheid in geschrift. De vordering tot ontneming gaat uit van een wederrechtelijk voordeel dat veroordeelde heeft behaald doordat de klanten hem betaalden voor het opmaken van de valse geschriften en het doen van de onjuiste aangiften.

Omdat sprake is van een veroordeling op basis van onder meer de bij de belastingwet gestelde feiten, is het de vraag in hoeverre het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, omdat de wet bepaalt dat geen ontnemingsvordering kan worden gestart ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten.

De Rechtbank komt tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

De Rechtbank stelt voorop dat de wettekst duidelijk is: er wordt geen ontnemingsmaatregel opgelegd ter zake van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit. De wettekst maakt geen onderscheid in de wijze van deelnemen aan strafbare feiten noch in de aard van het verkregen voordeel. Bepalend is of sprake is van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit en of daarvan sprake is volgt uit de kwalificatie die de rechter aan het feit heeft gegeven.

Het is naar het oordeel van de Rechtbank voorstelbaar dat deze categorale uitsluiting van de bij belastingwet strafbaar gestelde feiten ertoe zou kunnen leiden dat bij een concreet feitencomplex sprake is van een onwenselijke uitkomst. De Rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om de wettekst zo uit te leggen dat het daarin geformuleerde toetsingsverbod in dergelijke gevallen niet zal gelden. Het moet ervoor worden gehouden dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 74 AWR de onderhavige situatie waarin geld wordt verdiend aan het doen van onjuiste aangiften voor een ander in ogenschouw heeft gehad, aangezien dit geregeld voorkomt.

Desalniettemin heeft de wetgever voor dergelijke gevallen geen uitzondering geformuleerd op de algemene regel dat ontneming niet mogelijk is bij een veroordeling voor een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit.

In de onderhavige zaak is echter sprake van niet alleen fiscale feiten, maar ook van valsheid in geschrift. De wettekst en jurisprudentie van de Hoge Raad verzetten zich er niet tegen dat wanneer ook sprake is van niet bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, het op grond van die feiten verkregen voordeel wordt ontnomen.

Op grond van de dossierstukken bepaalt de Rechtbank het te ontnemen bedrag op € 81.690,36.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:9380