Onvoldoende bewijs om te concluderen dat verdachte feitelijk leiding gaf aan accijnsfraude

Verdachte heeft tegen betaling in opdracht valselijk administratieve geleidedocumenten (AGD’s) opgemaakt welke gebruikt werden in een accijnsfraude. Het Hof acht bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opstellen van de AGD’s en dat de betrokken rechtspersoon onveraccijnsde goederen voorhanden heeft gehad. Het Hof dient vast te stellen of de rol van verdachte zodanig was, dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen, dan wel deze goederen zelf voorhanden heeft gehad.

Hoewel de verdachte wetenschap droeg van het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen door de rechtspersoon is zijn rol beperkt gebleven tot het afgeven van vrachtbrieven aan een chauffeur in de nabijheid van een lege vrachtwagen. Dit kan naar het oordeel van het Hof niet de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Bovendien was hij geen bestuurder van de rechtspersoon en is niet gebleken dat hij anderszins een bijdrage heeft geleverd. Bewijs dat de verdachte de goederen zelf voorhanden heeft gehad, en kan op basis van zijn geringe betrokkenheid niet worden vastgesteld dat hij feitelijke beschikkingsmacht over de onveraccijnsde goederen heeft gehad. Het Hof acht aldus betrokkenheid bij het opstellen van valse AGD’s en het afgeven van deze valse papieren niet genoeg bewijs om vast te stellen dat men feitelijk leiding heeft gegeven aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen, of dat men deze zelf voorhanden heeft gehad. Wel volgt een veroordeling voor het subsidiaire feit valsheid in geschrift, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een geldboete van vijfduizend euro.

Hof ‘s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:GHSHE:2018:1054

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2018:1054