Ook als sprake is van een fiscale eenheid blijven onderliggende vennootschappen strafrechtelijk aansprakelijk voor onjuist ingediende aangiften

Verdachte wordt ervan verdacht (als feitelijk leidinggever) opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting te hebben ingediend, waardoor te weinig belasting is geheven.

Verdachte heeft verklaard dat hij krap bij kas zat en heeft daarom een lager bedrag laten opgeven in de aangiften. Verdachte heeft dit gedaan om zijn bedrijven draaiende te houden en om de salarissen te kunnen uitbetalen en niet om zichzelf te bevoordelen. Verdachte is niet meer in staat geweest om dit later te corrigeren in verband met de financiële omstandigheden.

De raadsman brengt verder naar voren dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, nu verdachte geen leiding heeft gegeven aan het doen van onjuiste aangiften van de in de tenlastelegging genoemde vennootschappen, nu niet deze vennootschappen maar de fiscale eenheid belastingplichtig is.

Op grond van de bewijsmiddelen acht de Rechtbank het tenlastegelegde feit bewezen. De Rechtbank is van oordeel dat verdachte, samen met een medeverdachte, als plegers van het feit kunnen worden aangemerkt. Dat de fiscale eenheid als belastingplichtige moet worden aangemerkt maakt niet dat de onderliggende rechtspersonen niet langer strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor de door deze rechtspersonen gepleegde belastingfraude. Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen.

Hoewel slechts 9 valse aangiften ten laste zijn gelegd, gaat de Rechtbank uit van 32 valselijk ingediende aangiften nu dit uit het dossier blijkt. De Rechtbank gaat daardoor uit van een benadelingsbedrag van ruim € 400.000. De Rechtbank rekent het verdachte aan dat hij gedurende 3,5 jaar systematisch opzettelijk onjuiste aangiften heeft ingediend dan wel heeft laten indienen. De Rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat verdachte het feit heeft begaan uit zelfverrijking, maar dat hij hiermee beoogde zijn bedrijven door de moeilijke economische situatie te loodsen. Nu verdachte ter zitting blijk heeft gegeven van het feit dat dergelijk gedrag verwerpelijk is en bovendien op eigen initiatief is begonnen met het terugbetalen van het benadelingsbedrag ziet, de Rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Rechtbank Amsterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4419

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:4419