Ook belastingschulden moeten worden meegewogen bij opgelegde fiscale boetes in het kader van een verminderde draagkracht

Aan belanghebbende zijn vergrijpboeten opgelegd wegens het opzettelijk niet binnen de wettelijke termijnen betalen van de verschuldigde omzetbelasting. De boetes bedragen 30% van de niet tijdig betaalde omzetbelasting. De inspecteur heeft als strafverminderende omstandigheid in aanmerking genomen dat belanghebbende op jaarbasis bezien de juiste bedragen aan omzetbelasting heeft voldaan. De boetes belopen in totaal € 16.998.

Over de hoogte van de boetes heeft het Hof geoordeeld dat, alles afwegende, boetes van elk 30% passend en geboden zijn. Daartegen richten zich de cassatiemiddelen.

De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter in belastingzaken in het kader van de straftoemeting, bij een geschil over het wel of niet in aanmerking nemen van een omstandigheid, hetzij strafverzwarende hetzij strafverminderende, daarover een oordeel moet geven. Dat oordeel mag niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en mag niet onbegrijpelijk zijn. De beoordeling of een boete in het licht van alle omstandigheden passend en geboden is, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

Het Hof heeft alle door belanghebbende aangevoerde omstandigheden voor strafvermindering verworpen. De klachten slagen naar het oordeel van de Hoge Raad voor zover zij inhouden dat het Hof ten onrechte niet als strafverminderende omstandigheid in aanmerking heeft genomen de door belanghebbende naar voren gebrachte omstandigheid dat haar belastingschulden ruim € 100.000 belopen. De financiële positie van belanghebbende wordt mede bepaald door diens verplichting belastingschulden te betalen. Het karakter van deze schulden vormt geen grond om dit element van zijn draagkracht buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de proportionaliteit van een boete.

Het oordeel van het Hof, dat klaarblijkelijk berust op de opvatting dat het bestaan van belastingschulden nimmer een matigende rol kan spelen bij de beoordeling van de hoogte van een opgelegde boete, getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad verwijst de zaak voor een nieuwe beoordeling van de hoogte van de boetes.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1895