Opgelegde aanslagen aan belanghebbende die handelde in merkvervalste goederen zijn geen dubbele bestraffing

Door de FIOD is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de handel in merkvervalste goederen. Het onderzoek is gedaan naar een keten die bestaat uit een importeur en een aantal verkoopgroepen. Eén van de verkoopgroepen bestaat uit belanghebbende, zijn broer, zijn stiefvader en een derde. Deze verkoopgroep zou een bruto-omzet in merkvervalste goederen hebben behaald van ongeveer € 4.300.000. Belanghebbende is door de strafrechter ter zake van deze feiten onherroepelijk veroordeeld.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, vanwege zijn rol binnen de verkoopgroep, een groter dan het gemiddelde winstaandeel toegekend. Tevens heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd wegens het niet doen van aangifte.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat – anders dan de inspecteur stelt – de strafrechter niet bewezen heeft verklaard dat er inkomsten zijn genoten uit die handel. Ook stelt belanghebbende dat sprake is van een dubbele bestraffing.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende deelnam aan een verkoopgroep die tot doel had de handel in merkvervalste goederen. Uit de stukken blijkt dat daarbij een marge werd berekend en naar het oordeel van het Hof kan uit de stukken voldoende worden afgeleid dat belanghebbende geheel een leidende rol vervulde.

Nu belanghebbende onherroepelijk is veroordeeld ter zake van de handel in merkvervalste goederen komen bij de bepaling van de winst de inkoopkosten en de overige door belanghebbende gestelde kosten niet in aftrek. Verder heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen niet tevens een vergrijpboete opgelegd omdat belanghebbende reeds strafrechtelijk is vervolgd.

Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van een dubbele bestraffing, reeds omdat geschillen over de belastingheffing buiten het bereik van art. 6 EVRM vallen. Daar komt bij dat naar het oordeel van het Hof van een dubbele bestraffing geen sprake is. De aftrekuitsluitingsbepalingen betreffen de vaststelling van winst en daarmee de vaststelling van de heffingsmaatstaf voor de inkomstenbelasting. Daarbij staat leedtoevoeging niet voorop. Dat door de uitsluiting van aftrek van zogenoemde criminele kosten winstgevend crimineel gedrag wordt ontmoedigd, betekent nog niet dat die bepaling een punitief karakter heeft. Bestraffing of leedtoevoeging is ook niet de reden geweest voor de wetgever de desbetreffende bepaling in te voeren.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:9979