Prejudiciƫle vraag over de omvang van het inzagerecht in het kader van het verdedigingsbeginsel

De Roemeense heer en mevrouw Ispas (hierna: ā€˜verzoekersā€™) werden naar aanleiding van een belastingcontrole geconfronteerd met twee aanslagen voor de btw. Verzoekers stellen dat de Roemeense belastingautoriteit het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Dit leidt ertoe dat de RoemeenseĀ  rechterĀ  een prejudiciĆ«le vraag stelt aan het Hof van Justitie.

Ter verduidelijking herformuleert de Advocaat-Generaal de betreffende prejudiciĆ«le vraag, zodat deze als volgt komt te luiden: ā€˜Vereist het algemene beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging dat een particulier in een nationale administratieve procedure gericht op de inning van de btw, toegang heeft tot alle informatie en documenten in het administratieve dossier en die de overheidsinstantie in aanmerking heeft genomen bij het nemen van haar besluit?ā€™

Verzoekers hebben hun standpunt dat duidt op een schending van het verdedigingsbeginsel onderbouwd met de stellingname dat zij geen toegang tot het volledige dossier, met inbegrip van alle documenten die vĆ³Ć³r de belastingcontrole werden verzameld, hebben gehad. Ter onderbouwing hiervan halen verzoekers rechtspraak van het Hof betreffende de toegang tot het dossier in zaken van mededingingsrecht aan. Bovendien hadden de belastingautoriteiten hen die toegang op eigen initiatief moet verschaffen, aldus verzoekers.

Reagerend op het bovenstaande betoog stelt de A-G allereerst dat verzoekers zich in de onderbouwing van hun standpunt ten onrechte beroepen op rechtspraak van het Hof betreffende het mededingingsrecht. Er bestaat immers een fundamenteel verschil tussen de aard van mededingingszaken en nationale procedures ter inning van btw. Waar het mededingingsrecht zich immers laat kenmerken als een strafrechtelijke aangelegenheid, dient de onderhavige nationale procedure ertoe de verschuldigde belasting vast te stellen.

Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat de betreffende belastingautoriteit de bedoelde informatie op eigen initiatief aan hen had moeten verstrekken, overweegt de A-G dat er slechts moet zijn voorzien in een mechanisme dat de belastingplichtige in staat stelt op diens verzoek toegang te krijgen tot de relevante informatie. Het initiatief ligt dus bij de belastingplichtige en niet bij de belastingautoriteit.

Relevant in het kader van de vraag of het verdedigingsbeginsel is geschonden, is de vraag of de nationale procedurevoorschriften de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten onmogelijk dan wel uiterst moeilijk maken. Dat laatste is het geval op het moment dat nationale procedurevoorschriften een belanghebbende de toegang onthouden tot kennisneming van documenten die de grondslag vormen van een administratief besluit. Indien dergelijke toegang aan een belanghebbende wordt ontzegd, kan de doelstelling van het verdedigingsbeginsel immers niet worden bereikt: het in staat stellen van de belanghebbende om zijn standpunt omtrent de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren naar behoren kenbaar te maken. Het inzagerecht blijft volgens de A-G dus beperkt tot de documenten die de belastingautoriteit aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. De A-G verwerpt dus de ruimere opvatting van verzoekers.

De A-G geeft het Hof dan ook in overweging om de prejudiciƫle vraag als volgt te beantwoorden:

ā€˜Het algemene beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging eist dat particulieren in een nationale procedure voor inning van de belasting over de toegevoegde waarde op hun verzoek toegang hebben tot de informatie en documenten die de grondslag vormen voor het administratieve besluit waarbij de door hun verschuldigde btw wordt vastgesteld.ā€™

Hof van Justitie 7 september 2017, ECLI:EU:C:2017:650

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d0f130d559be91efb51540729d97e44973aa4b96.e34KaxiLc3eQc40LaxqMbN4PaN8Oe0?text=&docid=194116&pageIndex=0&doclang=en&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=472576