Prejudiciële vraag van rechtbank Noord-Holland beantwoord

Rechtbank Noord-Holland heeft een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend. Het verzoek betreft de uitlegging van post 9021 van de GN en de geldigheid van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1101/2014 van de Commissie van 11 november 2014 tot indeling van bepaalde goederen in de GN. Het hoofdgeding heeft betrekking op de intrekking van drie BTI’s die door de douane aan belanghebbende zijn afgegeven voor drie modellen van implantaatschroeven die bestemd zijn om in het menselijk lichaam te worden ingebracht voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses. Een van de drie schroeven heeft een titaniumlegering, deze schroef wordt gebruikt voor het fixeren van een kunstgewricht. De andere twee schroeven zijn vervaardigd van roestvrij staal en worden eenmalig gebruikt voor de tijdelijke fixatie van botten.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de GN aldus moet worden uitgelegd dat medische implantaatschroeven als aan de orde in het hoofdgeding onder GN-post 9021 vallen. Het HvJ EU wijst erop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen. De bestemming van een product kan hierbij een objectief criterium zijn wanneer die inherent is aan het product.

Het HvJ EU overweegt verder dat, blijkens de GS-toelichting, onder post 9021 producten vallen die worden gekenmerkt door hun zorgvuldige vervaardiging en hun grote precisie. Daarnaast worden deze producten gekenmerkt door het feit dat zij in het organisme kunnen worden ingebracht om gekwetste lichaamsdelen onbeweeglijk te houden, dan wel om breuken te zetten, hetgeen ze bijgevolg onderscheidt van gewone producten. Het Hof is van oordeel dat uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van de schroeven als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn volgt dat deze producten onder post 9021 vallen. Het Hof wijst hierbij onder andere op het feit dat de schroeven zodanig zijn ontworpen dat zij, vanwege de specifieke vorm van hun kop, enkel met specifieke medische instrumenten in het lichaam kunnen worden ingebracht.

Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 geldig is. Uit de rechtspraak volgt dat een indelingsverordening door de Commissie wordt vastgesteld wanneer indelingsvraagstukken moeilijkheden opleveren of controversieel zijn. Uit de rechtspraak volgt tevens dat wanneer een dergelijke verordening niet voor een bepaalde marktdeelnemer geldt, maar van toepassing is op alle producten die identiek zijn aan het ingedeelde product, zij een algemene strekking heeft. Het product dat door de uitvoeringsverordening is niet identiek aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde medische implantaatschroeven.

Volgens de rechtspraak bevordert de toepassing naar analogie van een indelingsverordening op soortgelijke producten als die waarop deze betrekking heeft een coherente uitlegging van de GN en een gelijke behandeling van de ondernemers. Desalniettemin hoeft de tweede vraag niet beantwoord te worden, omdat het HvJ EU met zijn antwoord op de eerste vraag de verwijzende rechter alle benodigde gegevens heeft verstrekt om het product juist in te delen. Daarom is toepassing naar analogie niet noodzakelijk en evenmin mogelijk.

HvJ EU, 26 april 2017, C-51/16

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=190144&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=306616