Rechtbank acht het ‘volstrekt onaannemelijk’ dat verdachte geen opzet had op het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting

Verdachte wordt (samen met zijn vader) ervan verdacht – als feitelijk leidinggever – een groot aantal aangiften omzetbelasting opzettelijk onjuist te hebben ingediend. Voorts wordt verdachte tenlastegelegd dat gebruik is gemaakt van valse jaarrekeningen. Het strafproces is aangevangen nadat de FIOD onderzoek heeft gedaan en daaruit is gebleken dat (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting werd opgegeven in de ingediende aangiften omzetbelasting.

De vader van verdachte heeft verklaard dat zijn zoon de administratie deed van alle BV’s en ook alle aangiften omzetbelasting indiende. Verdachte heeft verklaard dat hij de aangiften heeft opgesteld en vervolgens heeft ingediend. Verdachte wist dat de bedragen aan voorbelasting niet juist waren, omdat deze waren gebaseerd op schattingen.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een schatting maakte van de terug te vragen voorbelasting op basis van betaalde facturen en de in het jaar ervoor teruggevraagde voorbelasting, hetgeen – zo stelt de verdediging – geen opzet oplevert.

De Rechtbank is van oordeel dat verdachte ruim vier jaar feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude door meerdere BV’s. De Rechtbank stelt vast dat het om een groot aantal onjuiste aangiften gaat en dat het benadelingsbedrag neerkomt op ongeveer € 600.000.

De Rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat de verschillen tussen de geclaimde voorbelasting en het daadwerkelijke recht op teruggaaf op basis van de betaalde facturen aanzienlijk zijn. De verklaring van verdachte dat hij steeds een onderbouwde schatting maakte en niet opzettelijk heeft gehandeld acht de Rechtbank dan ook volstrekt onaannemelijk.

De Rechtbank acht in beginsel, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De Rechtbank houdt echter rekening met het feit dat is gebleken dat verdachte door de slechte financiële omstandigheden waarin de bedrijven zich bevonden verkeerde keuzes heeft gemaakt en heeft verklaard daar veel spijt van te hebben. Ook is de redelijke termijn overschreden.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van 2 jaren, voor de duur van 16 maanden en tot de maximale werkstraf van 240 uren. De vader van verdachte spreekt de Rechtbank vrij, nu niet is gebleken dat hij betrokken was bij de financiële administratie.

Rechtbank Midden-Nederland 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:4352

Rechtbank Midden-Nederland 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:4350

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:4352

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2017:4350