Rechtbank acht verzuimboete disproportioneel en matigt de boete tot € 1.500

Tijdens een controle is geconstateerd dat belanghebbende een overkapping met ruiten aan de rechter- en linkerzijde heeft aangebracht op de laadbak van zijn open wagen. Omdat de auto door deze overkapping volgens de inspecteur niet (meer) kwalificeerde als bestelauto maar als personenauto, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd. Voorts is een verzuimboete opgelegd van € 2.574.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

De Rechtbank overweegt dat belanghebbende zich ervan had moeten vergewissen of de auto (nog) voldeed aan de inrichtingseisen die de fiscale wetgeving stelt aan de gebruikmaking van de regeling om in aanmerking te komen voor het lage tarief voor bestelauto’s voor ondernemers. Met de overkapping met ruiten aan de rechter- en linkerzijde op de laadbak voldoet het voertuig niet aan de eisen voor het lage tarief. De naheffingsaanslag en verzuimboete zijn om die reden in beginsel terecht opgelegd naar het oordeel van de Rechtbank.

Ten aanzien van de hoogte van de verzuimboete overweegt de Rechtbank dat een boete van € 2.574 disproportioneel is in verhouding tot de ernst van het beboetbare feit. De Rechtbank neemt daarbij in overweging dat de kap in 2010 op de auto is aangebracht alsook de verklaring van belanghebbende dat op dat moment voor de heffing van de motorrijtuigenbelasting de (destijds geldende) oldtimervrijstelling nog op deze auto van toepassing was. In het gegeven dat belanghebbende de kap aldus heeft aangebracht in een periode waarin hij voor de auto geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd was, ziet de Rechtbank een verzachtende omstandigheid.

Gelet op de feiten en omstandigheden acht de Rechtbank een boete van € 1.500 passend en geboden. Voor een verdere matiging van de boete ziet de Rechtbank, gelet op het bedrijfsmatige gebruik van de auto en de mogelijke concurrentieverstoring die daardoor kan optreden, geen aanleiding.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:5469