Rechtbank matigt boete opgelegd wegens het niet tijdig indienen van suppletieaangiften

Belanghebbende is enig aandeelhouder van een besloten vennootschap (hierna: B.V.) waarvan de activiteiten bestaan uit het verstrekken van juridisch en financieel advies, alsmede het verzorgen van ondersteuning op administratief gebied. Belanghebbende was tevens verantwoordelijk voor de dagelijkse administratie van de B.V. en heeft in dit kader dan ook de aangiften omzetbelasting verzorgd. Op 10 april 2015 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar de juistheid van de bedoelde aangiften omzetbelasting. Kort daarna, op 29 april 2015, heeft belanghebbende namens de B.V. op 29 april 2015 suppletieaangiften omzetbelasting ingediend voor de jaren 2010 tot en met 2012.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur op 18 december 2015 aan de B.V. een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 5.000 wegens het schenden van de verplichting tot het doen van een suppletieaangifte ex artikel 10a AWR jo. artikel 15 Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting. Daarnaast heeft de Inspecteur op 9 maart 2016 belanghebbende geconfronteerd met een bestuurlijke boete ten bedrage van € 5.000 wegens het feitelijk leiding geven aan de voornoemde beboetbare gedraging van de B.V.

Tussen partijen is in geschil de vraag of de bestuurlijke boete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd door de behandelend Inspecteur. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.

De Rechtbank overweegt dat belanghebbende in diens hoedanigheid van bestuurder van de B.V. feitelijk leiding heeft gegeven aan de voornoemde verboden gedraging. Belanghebbende droeg immers verantwoordelijkheid voor het op juiste wijze indienen van aangiften omzetbelasting. Onder deze verantwoordelijkheid kan tevens, indien daartoe aanleiding bestaat, de verplichting tot het indienen van suppletieaangiften worden geschaard. Het feit dat de B.V. de voormelde suppletieaangiften niet heeft ingediend, terwijl belanghebbende wel degelijk kennis droeg van het feit dat diens B.V. te weinig omzetbelasting had voldaan, maakt dat belanghebbende de bedoelde verboden gedraging feitelijk heeft veroorzaakt. Het feit dat de betreffende fysieke handelingen niet zijn verricht door een ander dan de feitelijk leidinggever zelf, doet daaraan niet af (ECLI:NL:HR:2016:733).

De Rechtbank is echter evenwel van mening dat bepaalde omstandigheden in het voordeel van belanghebbende spreken. Zo heeft belanghebbende immers reeds een aanzienlijk gedeelte van de door de B.V. verschuldigde belasting voldaan uit eigen middelen. Ook houdt de Rechtbank rekening met de beperkte omvang van de B.V. en de omstandigheid dat de betaling van de verschuldigde boeten materieel ten laste van belanghebbende kwamen. Dit maakt dat de Rechtbank voor belanghebbende een boete van € 1.000 passend acht.

Gelet op het bovenstaande verklaart de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond.

Rb. Den Haag 22 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:10715.

https://www.navigator.nl/document/idddc7ff359d8149e38affcacde3e89f48?ctx=WKNL_CSL_10000001&preventVakstudieRedirectLoop=0