Rechtbank niet gebonden aan BBBB en bepaalt zelfstandig welke boete passend en geboden is

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2016. Omdat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd. In geschil is of de verzuimboete naar een te hoog bedrag is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat de boete onredelijk hoog is. Belanghebbende voert aan dat er geen sprake is van opzet, maar dat sprake is van overmacht door ernstig langdurige tegenslagen in zijn privéleven waardoor hij ernstig is belemmerd zijn werkzaamheden uit te voeren, zijn inkomsten teruglopen en de totale boetes meer dan € 10.000 bedragen.

De Rechtbank overweegt dat de hoogte van een verzuimboete voor het niet of niet tijdig doen van aangifte ten hoogste € 5.278 bedraagt. Het beleid van de Staatssecretaris houdt in dat ter zake van een aangifteverzuim bij de vennootschapsbelasting de inspecteur een verzuimboete van 50% van de maximale boete van € 5.278, derhalve € 2.639 oplegt. De hier opgelegde boete is in dat opzicht niet te hoog.

De Rechtbank is evenwel niet gebonden aan dit beleid en dient zelfstandig te bepalen welke boete passend en geboden is. De Rechtbank heeft onder meer het volgende in aanmerking genomen. De persoonlijke gebeurtenissen die worden aangevoerd hebben grotendeels plaatsgevonden (ruim) voor de periode waarin de onderhavige aangifte had moeten worden ingediend. Die persoonlijke omstandigheden als zodanig hebben daarom nauwelijks tot geen matigend effect voor de boete.  De in de andere jaren opgelegde verzuimboetes wegen op twee manieren mee. Enerzijds is inscherping van de aangifteverplichting geboden. Anderzijds weegt de omstandigheid dat substantiĂ«le boetes zijn opgelegd mee in het kader van de financiĂ«le impact. In het voordeel van belanghebbende weegt mee dat belanghebbende alsnog aangifte heeft gedaan en bovendien naar een hogere winst dan waarvan de inspecteur was uitgegaan bij aanslag. Ook weegt mee dat belanghebbende inmiddels ‘bij’ is met het doen van aangiften vennootschapsbelasting. Kortom, bij belanghebbende is in zoverre gedragsverbetering te zien, zij het met als belangrijk aandachtspunt het tijdig doen van de aangifte.

Ook heeft de Rechtbank het bedrag van de verschuldigde belasting en het bedrag van de belastbare winst in aanmerking genomen. Hoewel het opleggen van een verzuimboete zoals hier op zich losstaat van de hoogte van die bedragen, kunnen die bedragen wel meewegen bij de beoordeling van de proportionaliteit.

Verder heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat het hier gaat om een onderneming die voor wat betreft de aard en omvang nauwelijks verschilt ten opzichte van een  eenmanszaak, waarvoor de verzuimboetes substantieel lager zijn. Dat verschil in behandeling is gerechtvaardigd, maar dat neemt niet weg dat dit wel in aanmerking kan worden genomen.

Alle omstandigheden afwegende acht de Rechtbank een substantiële boete op haar plaats maar wel lager dan de inspecteur heeft opgelegd. De Rechtbank acht een boete van € 1.250 passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:4303