Rechtbank oordeelt dat toepassing van nieuwe inkeerregeling niet mag leiden tot een zwaardere bestraffing van oude feiten

Belanghebbende heeft in haar aangiften IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2013 geen melding gemaakt van bankrekeningen bij de Zwitserse UBS bank waartoe zij gerechtigd was. In 2014 heeft zij in verband met deze bankrekeningen een beroep gedaan op de inkeerregeling, waarna een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Belanghebbende had zich daarbij het recht voorbehouden om tegen de boete bezwaar en beroep aan te tekenen.

In geschil is of in de navorderingsaanslag terecht een boete van € 19.639 is begrepen.

Belanghebbende stelt dat de boete is opgelegd in strijd met artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR. Artikel 67n AWR zou  namelijk volgens haar buiten toepassing dienen te blijven voor zover de strafbare feiten (het doen van onjuiste aangiften) vóór 2 juli 2009 zijn begaan. Ten tijde van het begaan van de beboetbare feiten luidde de inkeerregeling zo dat geen vergrijpboete zou zijn opgelegd. Pas later is de inkeerregeling in het nadeel van belanghebbende gewijzigd. De inkeer zou volgens belanghebbende daarom tot een zwaardere bestraffing van eerder begane feiten hebben geleid.

Op basis van jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad, oordeelt de Rechtbank dat de inkeerregeling een bepaling is met betrekking tot de uitvoering of handhaving van de straf die valt onder de algemene regels met betrekking tot sanctieoplegging, en dat daarbij binnen het bereik wordt gekomen van artikel 7 van het EVRM en artikel 15 IVBR. Dit strookt met het eerdere arrest van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld  dat voor het geval artikel 67n AWR gunstiger is voor de belastingplichtige, deze gunstigere bepaling onmiddellijke werking moet hebben. Het beroep is volgens de Rechtbank daarom in zoverre gegrond.

Daarbij overweegt de Rechtbank dat het legaliteitsbeginsel niet alleen met zich brengt dat een gunstigere strafbepaling met onmiddellijke ingang wordt toegepast indien dit in het voordeel van de verdachte is, maar ook dat geen zwaardere straf wordt opgelegd dan ten tijde van het plegen van het strafbare feit van toepassing was. Ten aanzien van de stelling van de inspecteur dat het geschil alleen kan gaan over aangiften die zijn gedaan na 2 juli 2009 overweegt de Rechtbank dat gelet op het overgangsrecht uit moet worden gegaan van de datum van 1 januari 2010. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting erkend dat haar standpunt dat de nieuwe inkeerregeling buiten toepassing dient te blijven, inderdaad alleen betrekking heeft op de vóór 2010 gedane aangiften. Belanghebbende heeft erkend dat dit de aangiften tot en met 2008 betreft.

Nu belanghebbende ten aanzien van het jaar 2008 nog een beroep kan doen op de oude inkeerregeling, op grond waarvan aan haar geen boete zou zijn opgelegd, dienen de in het aanslagbedrag begrepen boeten over de belastingjaren tot en met 2008 te vervallen. De Rechtbank vermindert de aanslag met een bedrag € 14.458.

Rechtbank Gelderland, 14 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3675

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:3675