Rechtbank oordeelt dat toezegging van inspecteur over 2013 niet geldt in 2014 ondanks dezelfde problematiek

Aan belanghebbende zijn over de maanden maart 2013 en maart 2014 naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd alsmede verzuimboetes wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting van respectievelijk € 1.926 en € 4.088.

Belanghebbende is een betalende voetbalorganisatie. Belanghebbende heeft in de aangifte een pseudo-eindheffing hoog loon opgegeven doch niet afgedragen op aangifte.De verzuimboete over de maand maart 2013 is ambtshalve verminderd tot nihil. In geschil is (onder meer) of de verzuimboete over maart 2014 eveneens tot nihil moet worden verminderd.

Belanghebbende doet daarbij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende betoogt dat de toezegging over het jaar 2013, dat de boete zou worden vernietigd indien alsnog betaald zou worden, ook zou moeten gelden voor het jaar 2014.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er geen toezegging in de vorm van een besluit bestaat en dat dit een kwestie van de ontvanger is. De boete kan niet buiten de inspecteur om verminderd worden.

De Rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de uitlatingen van de inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de betaalverzuimboete ook een jaar later zou worden verminderd tot nihil bij het in eerste instantie niet, maar later alsnog betalen van de naheffingsaanslag. 

Vast staat dat de inspecteur geen uitlatingen heeft gedaan over 2014, zodat van een expliciete standpuntbepaling terzake geen sprake kan zijn. Ook is niet aannemelijk geworden dat er een beleidsregel op dit punt zou bestaan. Met hetgeen belanghebbende heeft aangedragen, is niet aannemelijk geworden dat sprake zou zijn van omstandigheden die de gerechtvaardigde indruk hebben kunnen wekken dat sprake zou zijn van een bewuste standpuntbepaling. Een goedkeuring ten aanzien van 2013, en de aanname dat de goedkeuring voor 2013 enkel door geen expliciete beperking in de tijd op te nemen zou blijven gelden, zijn naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende. Daarbij is relevant dat de crisisheffing 2013, waarmee de toezegging verband hield, van eenmalige aard zou zijn.

De Rechtbank vermindert de boete ambtshalve wegens overschrijding van de redelijke termijn tot € 3.270.

Rechtbank Noord-Nederland 15 februari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:703

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2018:703