Rechtbank vernietigt vergrijpboete wegens schending van mededelings- en motiveringsplicht

De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd met een vergrijpboete van € 6.885. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende een omzet ten bedrage van € 92.114 niet in de aangifte inkomstenbelasting heeft verantwoord.

In geschil is onder meer of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

In een brief heeft de inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen van 25% met als motivering: “omdat er sprake is van grove onachtzaamheid”. De inspecteur heeft vervolgens een vergrijpboete opgelegd, waarbij in de boetebeschikking staat vermeld:

“U heeft een brief van de Belastingdienst ontvangen waarin wordt uitgelegd waarom u een vergrijpboete krijgt. De Belastingdienst beschouwt uw nalatigheid als zogeheten ‘grove schuld’ en behandelt deze nalatigheid als een vergrijp. Daarom legt de Belastingdienst u naast het bedrag van de navorderingsaanslag een vergrijpboete op. Het bedrag van de vergrijpboete is met toepassing van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld op € 6.885.”

De Rechtbank is van oordeel dat aan de belastingplichtige, uiterlijk bij het opleggen van de boete, kenbaar moet worden gemaakt op welke gronden hij wordt beboet. Dit betekent dat de inspecteur gedetailleerd moet aangeven op grond van welke feiten en omstandigheden hij concludeert tot grove onachtzaamheid. De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met de enkele mededelingen “dat sprake is van grove onachtzaamheid” en “nalatigheid” daaraan niet heeft voldaan.

Hieruit kan immers niet worden afgeleid welke feitelijke gedragingen de inspecteur belanghebbende verwijt. Gelet hierop is naar het oordeel van de Rechtbank de mededelings- en motiveringsplicht geschonden en dient de vergrijpboete te vervallen. De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 3 september 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:9011

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2015:9011