Redelijke schatting omzet en de daaropvolgende naheffingsaanslag. Boete verminderende omstandigheden.

Belanghebbende exploiteerde een steakhouse en grillroom. In 2012 is een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. Dit heeft geresulteerd in onder meer naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken 2009, 2010, 2011 en 2012. Aan belanghebbende is voor de onderhavige jaren een informatiebeschikking afgegeven. Deze staat onherroepelijk vast. Er is daarom sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Ook heeft de inspecteur aan belanghebbende naast de naheffingsaanslagen, vergrijpboeten opgelegd.

In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en, zo ja, tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Verder is in geschil of de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd.

  • Belanghebbende stelt dat tegen de informatiebeschikking op 28 november 2013 per e-mail bezwaar is gemaakt en dat de inspecteur dit bezwaar ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank overweegt dat een bezwaarschrift ook per e-mail kan worden ingediend indien het bestuursorgaan die mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk heeft opengesteld. In dit geval bestond die mogelijkheid niet. Belanghebbende heeft vormverzuim niet hersteld. De informatiebeschikking staat daarom onherroepelijk vast. Hierdoor is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Gevolg hiervan is dat de inspecteur mag uitgaan van een redelijke schatting.
  • Er is sprake van een redelijke schatting. Omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht zijn de bevindingen geĂ«xtrapoleerd naar de jaren 2008 tot en met 2012, hetgeen heeft geresulteerd in de omzetcorrecties van 40 percent voor de jaren 2008 tot en met 2012. De rechtbank is van oordeel dat deze schatting van de in de onderhavige jaren behaalde omzetten redelijk is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de schatting bij gebrek aan een (controleerbare) administratie een zekere ruwheid mag hebben. Om die reden mochten de bevindingen ook worden geĂ«xtrapoleerd naar andere jaren.

Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Awr, kan aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd. De inspecteur heeft vergrijpboeten opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, zoals de bevindingen uit het boekenonderzoek, voldoende aannemelijk gemaakt dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat omzetbelasting niet of gedeeltelijk niet is betaald. De stelling van belanghebbende dat sprake is van overmacht door het crashen van de harde schijf, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Door op deze wijze zijn boekhouding in te richten, te weten het niet (zorgvuldig) bewaren van primaire bescheiden en geen back-up maken van de harde schijf van de kassa, heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig omzet zou worden aangegeven en te weinig omzetbelasting zou worden betaald. Er is dan sprake van (voorwaardelijke) opzet. De vergrijpboeten van 50% van de boetegrondslag zijn daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de grondslag van de boeten is vastgesteld met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast aanleiding om de boeten te matigen met 20 percent.

Voorts overweegt de rechtbank ambtshalve dat de boetes moeten worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop dienen de vergrijpboeten verder te worden verminderd met 15 percent.
 

Rechtbank Den Haag, 25 januari 2017

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:1496