Reeks boeten voor ondernemer(s) die in het buitenland aangeschafte handelsgoederen buiten de boeken hield(en)

De inspecteur heeft aan belanghebbende over verschillende jaren naheffingsaanslagen omzetbelasting met vergrijpboeten opgelegd alsook navorderingsaanslagen inkomstenbelasting met vergrijpboeten.

Door de inspecteur is een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting. Hieruit is gebleken dat belanghebbende goederen in Duitsland en België heeft ingekocht en dat deze goederen persoonlijk bij de leveranciers zijn afgehaald, dat de goederen contant zijn betaald en dat de verkoopopbrengsten van deze goederen niet in de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting zijn verantwoord. Om die reden heeft de inspecteur vergrijpboeten van 50% opgelegd.

Ten aanzien van de vergrijpboeten inzake de inkomstenbelasting overweegt de Rechtbank dat voor de jaren 2007, 2008 en 2009 het in absolute zin om lage bedragen gaat die betrekking hebben op de niet-aangegeven winsten. De Rechtbank acht aannemelijk dat sprake is van (ten minste) voorwaardelijk opzet. Door de gebrekkige administratie heeft belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. De Rechtbank acht de opgelegde boeten over de jaren 2007, 2008 en 2009 van respectievelijk € 50, € 100 en € 300 passend en geboden. Deze boetes worden in verband met de hoogte daarvan niet gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Rechtbank acht eveneens met betrekking tot het jaar 2011 aannemelijk dat het minstens aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De Rechtbank acht – waarbij voorts rekening is gehouden met het feit dat de boetegrondslag tot stand is gekomen met toepassing van omkering van de bewijslast – een boete van € 2.000 passend en geboden. Deze boete wordt verminderd tot € 1.700 in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Ten aanzien van de vergrijpboetes inzake de omzetbelasting acht de Rechtbank het eveneens aannemelijk dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is voldaan. De Rechtbank acht – in aanmerking genomen dat sprake is van omkering van de bewijslast – een boete van € 2.500 passend en geboden. De boete wordt verminderd tot € 2.125 in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

De Rechtbank vernietigt de vergrijpboete over het jaar 2012, nu als gevolg van een typefout een onjuiste aangifte was gedaan.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 februari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1625

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:1625