Schijnconstructie bij vastgoedtransactie leidt tot veroordeling ter zake van belastingfraude

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend, als feitelijk leidinggever onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft ingediend, valsheid in geschrift heeft gepleegd van akten alsmede dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan witwassen.

Verdachte – zijnde een vastgoedhandelaar – wilde bij een vastgoedtransactie een koopconstructie gebruiken die zou leiden tot een zo laag mogelijke belastingheffing en een zo hoog mogelijke winst. Hiervoor creĆ«erde hij een schijnconstructie waarbij hij een fictieve koper in tussen de transactie zou hebben geschoven. De Rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee opzettelijk een schijnconstructie heeft gecreĆ«erd om de winst van zijn werkmaatschappij daarmee fictief te drukken.

De stelling van verdachte dat hij zich niet realiseerde dat hij de winst op ongeoorloofde wijze heeft gedrukt en zichzelf verrijkt, en dat hij in het kader van het onderzoek van de Belastingdienst transparant is geweest ten aanzien van de transactie, acht de Rechtbank ongeloofwaardig. Voorts acht de Rechtbank bewezen dat er foutieve boekwaardes zijn opgegeven ter zake van de aanschafwaarde van appartementsrechten. Hierdoor is een te laag bedrag aan boekwinst opgegeven waardoor er te weinig belasting is geheven. Voorts heeft verdachte naar het oordeel van de Rechtbank een onjuiste opgave gedaan van zijn vorderingen waardoor er te weinig inkomstenbelasting is betaald.

De Rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij authentieke notariĆ«le akten valselijk heeft laten opmaken en heeft gebruikt met als doel het uit het zicht houden van de winsten op verkoop van onroerend goed. Het benadelingsbedrag bedraagt naar het oordeel van de Rechtbank ruim ā‚¬ 466.125. De Rechtbank neemt bij de strafoplegging eveneens in overweging dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van belastingfraude.

Gelet op het benadelingsbedrag zou volgens de Rechtbank onder normale omstandigheden een gevangenisstraf van rond de 16 maanden in de rede hebben gelegen. De Rechtbank houdt echter in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn (van 34 maanden). Alles afwegend veroordeelt de Rechtbank verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Rechtbank Amsterdam 15 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1625

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:1625