Strafbepaling art. 69 lid 2 AWR ziet alleen op aangifteplichtige

Het OM heeft beroep in cassatie ingesteld. In cassatie wordt geklaagd over de juistheid van het oordeel van het Hof dat verdachte niet als pleger van het tenlastegelegde kan worden aangemerkt. Aan verdachte is tenlastegelegd dat verdachte met medeverdachte, althans alleen, opzettelijk aangifte omzetbelasting en inkomstenbelasting onjuist en/of onvolledig heeft gedaan op naam van de medeverdachte.

Het Hof heeft overwogen dat verdachte niet op grond van art. 69 lid 2 AWR strafbaar gesteld kan worden omdat hij ten aanzien van het tenlastegelegde niet is aan te merken als aangifteplichtige, terwijl ook niet is gebleken dat hij met de aangifteplichtige vereenzelvigd moet worden, zodat hij niet binnen het bereik van de strafbepaling valt. Het medeplegen door de verdachte met de belastingplichtige kan onder deze omstandigheden niet worden bewezen. Nu de verdachte zelf niet verplicht was tot het doen van de in de tenlastelegging genoemde aangiften, moet hij van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Art. 69 lid 2 AWR is gericht tot degene die een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ onjuist of onvolledig doen. Als pleger van het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte moet daarom worden aangemerkt degene die tot het doen van de aangifte gehouden is. Die gehoudenheid tot het doen van aangifte kan worden vastgesteld bij eenieder die tot het doen van aangifte is uitgenodigd als voorzien in art. 8 lid 1 AWR. De omstandigheid dat de in art. 8 lid 1 AWR bedoelde uitnodiging tot het doen van aangifte (nog) niet was ontvangen, staat op zichzelf beschouwd niet in de weg aan het oordeel dat sprake is van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ in de zin van art. 69 lid 2 AWR.

Mede gelet op de parlementaire geschiedenis kan een als aangifte ingediende gegevensdrager uitsluitend worden aangemerkt als een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft, of door degene die uit hoofde van de art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van de belasting- of betalingsplichtige kan optreden.

Het middel gaat uit van de opvatting dat ook buiten deze gevallen sprake kan zijn van het als pleger stafrechtelijk aansprakelijk zijn voor het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69 lid 2 AWR. Deze opvatting is onjuist, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

De Hoge Raad merkt nog op dat – zoals ook blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de AWR – de art. 47 t/m 51 Sr diverse mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Onder omstandigheden kan een dergelijke gedraging ook opleveren het in art. 225 lid 2 Sr strafbaar gestelde (‘valsheid in geschrift’), welke delictsomschrijving tot eenieder is gericht.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2020:121