Strafbepaling van art. 69 lid 2 AWR ziet alleen op aangifteplichtigen (medeplegen is mogelijk)

Verdachte wordt verweten dat hij zich samen met de medeverdachte, althans alleen, heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften op naam van de medeverdachte.

Uitgangspunt is dat de strafbepaling van art. 69 lid 2 AWR zich richt tot de aangifteplichtige en dat anderen slechts als deelnemer aan het door de aangifteplichtige begane delict kunnen worden aangemerkt. Dat ook een onverplichte, niet op uitnodiging van de inspecteur gedane, aangifte binnen het bereik kan vallen maakt dat niet anders. De verdachte is ten aanzien van het ten laste gelegde niet aan te merken als aangifteplichtige, terwijl ook niet is gebleken dat hij met de aangifteplichtige vereenzelvigd moet worden, zodat hij niet binnen het bereik van de strafbepaling valt. Aan de verdachte is echter wel het medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van aangifte ten laste gelegd.

Het Hof overweegt dat voor medeplegen is vereist dat de verdachte het delict in bewuste nauwe samenwerking met een ander heeft begaan. Dit houdt in dat vastgesteld moet worden dat de medeplegers opzettelijk – willens en wetens – samenwerken tot het verrichten van de ten laste gelegde gedragingen. Alhoewel niet alle medeplegers uitvoeringshandelingen hoeven te verrichten ten aanzien van het gronddelict, moet er sprake zijn van opzet op de samenwerking en moet de samenwerking van voldoende gewicht zijn.

Naar het oordeel van het Hof kan op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld dat de medeverdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het onjuist of onvolledig doen van de ten laste gelegde aangiftes. Dit staat ook in de weg aan de voor een bewezenverklaring vereiste vaststelling van een bewuste samenwerking tot het onjuist of onvolledig doen van de ten laste gelegde aangiftes. Het medeplegen door verdachte met de belastingplichtige kan onder deze omstandigheden niet worden bewezen. Nu verdachte zelf niet verplicht was tot het doen van de in de tenlastelegging genoemde aangiftes, moet hij van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:5173