Taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor accountant die opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting indiende

Aan verdachte, accountant/administratieconsulent, is tenlastegelegd dat zij – meermaals – opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat verdachte gebruik heeft willen maken van de inkeerregeling door tijdig suppletieaangiften in te dienen, overweegt het Hof dat uit het dossier is gebleken dat de suppletieaangiften op 4 juni 2013 bij de Belastingdienst zijn binnengekomen. Uit een e-mailbericht van een controlemedewerker van de Belastingdienst van 14 mei 2013 is gebleken dat er telefonisch contact met verdachte is geweest waarbij een boekenonderzoek werd aangekondigd. Verdachte, die toen accountant/administratieconsulent was en daartoe een opleiding heeft gevolgd, had derhalve reeds op 14 mei 2013 de wetenschap dat een boekenonderzoek zou worden ingesteld. Een beroep op de inkeerregeling faalt derhalve en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Ten aanzien van de bewijsvoering overweegt het Hof dat verdachte heeft verklaard dat zij over de periode 2008 tot en met 2012 op de aangiften omzetbelasting niet het juiste bedrag heeft ingevuld. Zij heeft in die periode een te laag bedrag op de aangiften ingevuld, omdat zij het bedrag dat zij aan de Belastingdienst was verschuldigd, niet kon voldoen. Daarmee staat naar het oordeel van het Hof vast dat verdachte opzettelijk de aangiften omzetbelasting onjuist heeft ingediend.

Het Hof rekent het verdachte aan dat zij deze strafbare feiten heeft gepleegd terwijl zij als accountant/administratieconsulent werkzaam was. Door haar handelen heeft verdachte het vertrouwen in de financiële sector ernstig geschaad en heeft zij bewerkstelligd dat bij haar voor ruim € 50.000 te weinig belasting werd geheven. Verder neemt het Hof in aanmerking dat verdachte nooit eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld.

Alles afwegende veroordeelt het Hof verdachte tot een taakstraf van 160 uur een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. 

Gerechtshof Amsterdam 19 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5616

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5616